Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3981

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
13-4690 WMO_
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking van de voorrangspositie ten aanzien van een woning. De combinatie van de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten en de voorrangspositie van appellant ten aanzien van een woning voldeed aan de compensatieplicht van het college op grond van de Wmo. Intrekking van de voorrangspositie heeft verstrekkende gevolgen. Het had op de weg van het college gelegen om na te gaan of appellant was geïnformeerd over dit voornemen tot intrekking op een tijdstip dat appellant zijn handelen hier nog op kon aanpassen. Nu het college dit heeft nagelaten kon het college niet in redelijkheid overgaan tot intrekking van deze voorrangspositie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2015/7
JWWB 2015/52

Uitspraak

13/4690 WMO

Datum uitspraak: 19 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

1 augustus 2013, 13/890 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Hobo hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2014. Voor appellant is

mr. S. Essakkili verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M. Lekkerkerker en C. Tinga.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) heeft het college appellant bij besluit van 7 augustus 2012 een tegemoetkoming van

€ 2.427,- in verhuis- en (her)inrichtingskosten toegekend. Bij dat besluit heeft het college verder onder gebruikmaking van de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 36 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Zandvoort (Verordening), appellant aangemerkt als zogenaamd Wmo-urgent, zonder beperkende voorwaarden. Verder heeft het college aan appellant meegedeeld dat hij woningbouwvereniging [woningbouwvereniging] ([woningbouwvereniging]) van het besluit op de hoogte stelt.

1.2.

Op 11 september 2012 heeft [woningbouwvereniging] appellant in een mailbericht geattendeerd op de naar verwachting vrijkomende woning aan de[adres]. Appellant heeft [woningbouwvereniging] diezelfde dag bericht dat de woning aan de [adres] om een aantal redenen voor hem ongeschikt is. In een mailbericht van 14 september 2012 heeft [woningbouwvereniging] appellant bericht dat de woning aan de [adres] hem officieel wordt aangeboden en dat [woningbouwvereniging] de gemeente zal informeren dat appellant de woning niet accepteert. De gemeente zal dan beslissen of zij de afwijzing van appellant wel of niet terecht vindt en daar eventueel consequenties aan verbinden.

1.3.

Het college heeft op 19 september 2012 een aangetekend schrijven naar appellant gestuurd. De brief houdt in dat [woningbouwvereniging] aan appellant in het kader van de Wmo een woning heeft aangeboden aan de [adres]en dat appellant te kennen heeft gegeven deze woning niet te accepteren. De argumenten van appellant daarvoor worden niet door het college gedeeld. Het college heeft appellant in overweging gegeven de woning alsnog te accepteren en dat voor 24 september 2012 aan het college kenbaar te maken. Deze brief is op 9 oktober 2012 door appellant afgehaald op de afhaallocatie.

1.4.

Bij besluit van 28 september 2012 heeft het college de voorrangspositie van appellant ten aanzien van een woning ingetrokken. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant de hem aangeboden woning aan de [adres] heeft geweigerd, terwijl deze woning voor hem adequaat was, en dat hij voorafgaand bij aangetekend schrijven van 19 september 2012 was gewaarschuwd. Omdat appellant niet op die brief heeft gereageerd is de voorrangspositie van appellant in het kader van de Wmo komen te vervallen.

1.5.

Het bezwaar van appellant is bij besluit van 28 december 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard op de grond dat het college met het aanbieden van een passende woning aan zijn compensatieplicht heeft voldaan en appellant de woning niet had mogen weigeren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de woning hem niet op adequate wijze is aangeboden en dat het hem niet duidelijk was dat weigering tot verval van zijn voorrangspositie zou leiden. Van de aangetekende brief van 19 september 2012 heeft hij pas kennis kunnen nemen ná ontvangst van het besluit van 28 september 2012. Hij was toen niet meer in de gelegenheid om de woning - eventueel onder protest van niet

passendheid - alsnog te accepteren.

3.2.

Het college heeft in verweer zijn standpunt gehandhaafd en ter zitting in hoger beroep verklaard dat het besluit van 7 augustus 2012 voor zover het betreft de toekenning van de tegemoetkoming in de verhuis- en (her)inrichtingskosten nog onverkort van kracht is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de combinatie van de tegemoetkoming in de

verhuis- en herinrichtingskosten en de voorrangspositie van appellant ten aanzien van een woning voldeed aan de compensatieplicht van het college op grond van de Wmo. Waar het geschil zich op toespitst is of het college de voorrangspositie van appellant ten aanzien van een woning mocht intrekken om de reden dat appellant de woning aan de [adres] had geweigerd. De Raad is van oordeel dat dat niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

4.2

Appellant heeft naar aanleiding van het officiële aanbod van [woningbouwvereniging] van

14 september 2012 zijn bezwaar tegen de woning aan de [adres] nogmaals uiteengezet. Appellant was toen nog niet gewaarschuwd tot welke gevolgen weigering zou leiden. [woningbouwvereniging] had slechts op de mogelijkheid van door het college aan de weigering te verbinden consequenties gewezen. Vaststaat dat appellant eerst op 9 oktober 2012 kennis heeft genomen van de inhoud van het aangetekende schrijven van het college van

19 september 2012. Appellant was evenmin op andere wijze, bijvoorbeeld telefonisch, door het college op de hoogte gebracht van de consequentie die het college voornemens was te verbinden aan het niet accepteren van de woning. Omdat een besluit tot intrekking van de voorrangspositie ten aanzien van een woning verstrekkend is in zijn gevolgen lag het naar het oordeel van de Raad op de weg van het college om na te gaan of appellant was geïnformeerd over dit voornemen tot intrekking op een tijdstip dat appellant zijn handelen hier nog op kon aanpassen. Nu het college dit heeft nagelaten kon het college niet in redelijkheid overgaan tot intrekking van deze voorrangspositie.

4.3.

De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Teneinde het geschil finaal te beslechten zal de Raad zelf voorzien en het primaire besluit tot intrekking van de voorrangspositie van appellant ten aanzien van een woning herroepen, aangezien aan dat besluit hetzelfde gebrek kleeft en niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en € 974,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.922,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 28 december 2012;

- herroept het besluit van 28 september 2012;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.922,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A.J. Schaap en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) W. de Braal

TM