Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:398

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
12-3394 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering verhuiskostenvergoeding. Geen medische beperkingen voor gehandicapte dochter in het normale gebruik van de woning. Zorgvuldig medisch advies. Appellant heeft een eigen verantwoordelijkheid om maatregelen te treffen met het oog op de gevaren van het kanaal. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat een causaal verband bestaat tussen de slaapproblemen van zijn gehandicapte dochter en geluidsoverlast die drugsgebruikers in de omgeving van de woning zouden veroorzaken. Geen bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen tot toepassing van de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3394 WMO

Datum uitspraak: 12 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 mei 2012, 11/6024 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.G. Meijer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meijer, [D.] en[L.]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont met zijn echtgenote en twee kinderen in een benedenwoning aan het adres [adres 1.] te [woonplaats]. Dochter [Z.], geboren [in] 1995, heeft een verstandelijke beperking met gedragsstoornissen en is bekend met epilepsie.

1.2.

Appellant heeft op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een verhuiskostenvergoeding aangevraagd. Daarbij heeft hij toegelicht dat het kanaal nabij het huis gevaarlijk is voor [Z.] die erg onrustig is. Verder is de omgeving door drugsoverlast vooral ’s nachts heel onrustig. [Z.] kan hierdoor niet slapen.

1.3.

Bij besluit van 4 augustus 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

9 november 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat de medisch adviseur van MO-zaak heeft vastgesteld dat [Z.] geen medische beperkingen ondervindt in het normale gebruik van de woning, zodat verhuizing medisch niet noodzakelijk is. De ouders zijn verantwoordelijk voor het treffen van veiligheidsmaatregelen, zodat [Z.] de voordeur niet kan openen. Het vermijden van water in de nabijheid van een woning in [woonplaats] is bovendien niet of nauwelijks haalbaar. Ten aanzien van drugsoverlast in de omgeving van de woning is overwogen dat verhuizing niet de oplossing is, maar dat de oorzaak van het probleem dient te worden aangepakt. Er zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden die aanleiding vormen voor toepassing van de hardheidsclausule.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, het volgende overwogen. De totstandkoming van het advies van MO-zaak dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, kan niet als onzorgvuldig worden aangemerkt. Beperkingen die in causaal verband staan met omgevingsfactoren kunnen binnen het bereik van het in artikel 4 van de Wmo neergelegde compensatiebeginsel vallen. In dit geval is dat niet aan de orde, alleen al omdat niet is gebleken dat appellant de problemen niet zelf kan oplossen. Het ligt in de sfeer van appellant om te voorkomen dat [Z.] stiekem de woning verlaat en in een gevaarlijke situatie geraakt. Een causaal verband tussen de slaapproblemen van [Z.] en de drugsoverlast heeft appellant niet met medische stukken onderbouwd. Het college heeft in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat geen aanleiding bestond om toepassing te geven aan de in artikel 35 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning van de gemeente Amsterdam (Verordening) neergelegde hardheidsclausule.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, samengevat, het volgende aangevoerd. Het advies van MO-zaak is onzorgvuldig, omdat de medisch adviseur niet zelf contact heeft opgenomen met de behandelend artsen van [Z.] en geen eigen onderzoek heeft gedaan naar het causaal verband tussen haar beperkingen en de omgevingsfactoren van de woning. Dit causaal verband is aanwezig, omdat uit de verklaringen van de kinderneurologen blijkt dat [Z.] psychische en gedragsproblemen heeft en daarnaast epileptisch is. Verhuizing is medisch noodzakelijk, omdat [Z.] slaapproblemen heeft en zeer onrustig wordt van de drugsgebruikers die zich rond de woning ophouden wat een negatief effect heeft op haar gezondheid. Appellant heeft alle mogelijke veiligheidsmaatregelen getroffen, maar deze kunnen niet voorkomen dat [Z.] de woning verlaat. Tot slot zijn bijzondere omstandigheden gelegen in de gezondheidssituatie van [Z.] en in de omstandigheid dat de door appellant getroffen maatregelen geen oplossing bieden, zodat aanleiding bestaat tot toepassing van de hardheidsclausule.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling. Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college het advies van MO-zaak aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen, omdat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. De medisch adviseur heeft volgens het advies kennisgenomen van informatie verstrekt door de huisarts en door de behandelend kinderneuroloog. In de stukken en de door appellant nader ingebrachte verklaringen van de huisarts en de Polikliniek voor Epilepsie ziet de Raad geen aanknopingspunten om te oordelen dat de medisch adviseur geen volledig beeld heeft gekregen aan de hand van het door hem verrichte onderzoek, zodat de medisch adviseur met dit onderzoek kon volstaan. Ook de door appellant aangevoerde omstandigheid dat de medisch adviseur [Z.] niet zelf heeft onderzocht, leidt niet tot het oordeel dat het advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Deze grond slaagt niet.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat beperkingen bij het normale gebruik van de woning die in causaal verband staan met omgevingsfactoren, binnen het bereik van het in artikel 4 van de Wmo neergelegde compensatiebeginsel kunnen vallen.

4.3.

Om te bepalen of sprake is van de in 4.2 bedoelde situatie, dient eerst te worden vastgesteld wat tot het normale gebruik van de woning als bedoeld in artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening wordt gerekend. In paragraaf 2.1.a van de Beleidsregels voor de voorzieningen uit de Verordening, zoals deze luidden ten tijde in geding, is hierover opgenomen dat dit normale gebruik de elementaire woonfuncties omvat. Hieronder worden de activiteiten verstaan die de gemiddelde bewoner in zijn woning in elk geval verricht, zoals eten bereiden, slapen, lichaamsreiniging en essentiële huishoudelijke werkzaamheden. De Raad acht deze invulling van het begrip normaal gebruik van de woning niet onjuist.

4.4.

Naar het oordeel van de Raad levert de nabijheid van het kanaal en het daaraan verbonden verdrinkingsgevaar voor [Z.] geen beperkingen op in het normale gebruik van de woning als bedoeld in de Wmo en hiervoor onder 4.3 nader toegelicht. Op het college rust daarom geen compensatieplicht op grond van artikel 4 van de Wmo. Appellant heeft een eigen verantwoordelijkheid om maatregelen te treffen met het oog op de gevaren van het kanaal. Overigens heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat niet ongebruikelijke maatregelen als het op slot doen van de deur, het buiten bereik van [Z.] houden van de sleutel en het niet zonder begeleiding verlaten van het huis door [Z.] niet afdoende zijn.

4.5.

Zoals in 4.3 uiteengezet valt slapen onder het normale gebruik van de woning. Beperkingen bij het slapen als gevolg van factoren in de omgeving van de woning kunnen dan ook onder de compensatieplicht op grond van artikel 4 van de Wmo vallen. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat een causaal verband bestaat tussen de slaapproblemen van [Z.] en geluidsoverlast die drugsgebruikers in de omgeving van de woning zouden veroorzaken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank in 4.4 van de aangevallen uitspraak en de overwegingen waarop dit oordeel berust. Op het college rust daarom geen plicht om de beperkingen van [Z.] bij het slapen te compenseren. Appellant heeft verder ook hier een eigen verantwoordelijkheid om hiervoor maatregelen te treffen. Overigens heeft de gemachtigde van het college ter zitting gewezen op de mogelijkheid geluidsoverlast te melden bij het Meldpunt Zorg en Overlast. Dit schakelt de juiste hulpverleningsinstantie in en coördineert de acties die worden ondernomen. Verder kan aangifte worden gedaan bij de politie. Mocht dit niets opleveren dan kan dit alsnog reden zijn voor verhuizing.

4.6.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college in redelijkheid heeft geoordeeld dat in de door appellant aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden zijn gelegen die aanleiding vormen tot toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in

artikel 35 van de Verordening.

4.7.

Uit wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en W.H. Bel en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) D.E.P.M. Bary

JvC