Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
14-3219 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het Uwv heeft de belastbaarheid van appellant juist ingeschat en in het rapport van de verzekeringsarts is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom appellant, rekening houdende met zijn klachten en daaruit voortkomende beperkingen, in staat geacht moet worden de functie van wikkelaar te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3219 ZW

Datum uitspraak: 28 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 april 2014, 13/4845 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een (aanvullend) verweerschrift ingediend, met als bijlage een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Appellant heeft nadere medische gegevens overgelegd, in reactie waarop het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Leeuwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.B. Heij.

Deze zaak is ter zitting gevoegd behandeld met de zaak 13/2028 ZW. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting is de behandeling gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Uitgegaan wordt van de feiten, vermeld onder rechtsoverwegingen 1.1 en 1.2, in de uitspraak van de Raad met als kenmerk 13/2028 ZW. Er wordt volstaan met het volgende.

1.2.

Appellant heeft zich per 16 juli 2012 wederom vanuit de situatie waarin hij een werkloosheidsuitkering ontving ziek gemeld, dit maal wegens een operatie aan zijn enkel en daardoor veroorzaakte pijnklachten. Naar aanleiding hiervan heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektwet (ZW) ontvangen. Appellant is vervolgens nog twee keer op het spreekuur van de verzekeringsarts gezien, laatstelijk op 11 juni 2013. Deze arts heeft appellant, rekening houdende met diens pijnklachten en psychische klachten, met ingang van

17 juni 2013 weer geschikt geacht voor één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Op basis van de bevindingen van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 10 juni 2013 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 17 juni 2013 beëindigd.

1.3.

Bij besluit van 1 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 juni 2013, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 juli 2013, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voor onzorgvuldig of onjuist te houden of om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. Op grond van de beschikbare medische gegevens heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de fysieke en psychische situatie van appellant. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellant per

17 juni 2013 terecht geschikt is geacht voor de functie samensteller metaalwaren.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de functie samensteller metaalwaren in plaats van de functie monteur in haar oordeel betrokken heeft. Voorts heeft de rechtbank nagelaten te oordelen over het vraagstuk of appellant op de datum in geding geschikt was voor de functie van monteur. Tevens heeft de rechtbank in onvoldoende mate de bevindingen uit de rapporten van GZ-psycholoog W.F. de Jong van

8 juli 2013 in haar oordeel betrokken. Deze psycholoog stelt dat appellant vanwege zijn psychische klachten niet in staat is de geduide functies te verrichten. De bevindingen van de psycholoog hadden voor de rechtbank aanleiding moeten zijn om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek of de uitkomsten daarvan. Tot slot stelt appellant dat de belangenafweging anders en wel in zijn voordeel had dienen uit te vallen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant diverse medische gegevens overgelegd.

3.2.

In verweer stelt het Uwv dat appellant door de artsen van het Uwv geschikt geacht werd voor de functies samensteller metaalwaren en wikkelaar. Voorts wordt opgemerkt dat het in het beroepschrift gestelde voornamelijk lijkt te zijn gebaseerd op appellants subjectieve

klachtenbeleving. Tevens stelt het Uwv dat door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 24 oktober 2013 voldoende is ingegaan op het rapport van de GGZ-psycholoog. Tot slot stelt het Uwv dat het bestreden besluit berust op een voldoende gemotiveerde medische grondslag en worden ter onderbouwing van het verweer en in reactie op de in hoger beroep overgelegde medische gegevens rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

11 augustus 2014 en 15 oktober 2014 overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

Dat voor appellant met ingang van 19 februari 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA staat in rechte vast. Dat betekent dat in dit geding van de juistheid van de destijds vastgestelde belastbaarheid van appellant en zijn geschiktheid voor de in dat kader geduide functies dient te worden uitgegaan.

4.3.

In deze procedure staat uitsluitend de geschiktheid van appellant op 17 juni 2013 voor ten minste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies ter discussie.

4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om het medische onderzoek van de verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig te achten. Appellant is op het spreekuur van de verzekeringsarts zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. Op basis van de bevindingen uit dit spreekuuronderzoek, dossierstudie en informatie van de behandelend orthopeed en fysiotherapeut is de belastbaarheid van appellant vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant ten tijde van de hoorzitting geobserveerd en aansluitend onderzocht. Vervolgens heeft deze arts op basis van de bevindingen uit dit onderzoek, dossierstudie en in bezwaar verkregen informatie van onder meer appellants huisarts gesteld dat appellant zowel beperkingen vanwege zijn enkelklachten heeft als psychische beperkingen en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst, waarop de in het kader van de WIA geduide functies gebaseerd zijn, niet langer actueel is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveert vervolgens naar het oordeel van de Raad voldoende inzichtelijk waarom appellant geschikt geacht kan worden voor de functie van wikkelaar (SBC-code 267050). Er wordt geen aanleiding gezien het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in deze niet te volgen. Nu noch in beroep noch in hoger beroep door appellant (nieuwe) medische informatie is overgelegd waaruit blijkt dat de artsen van het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist hebben ingeschat, is er geen aanleiding om ten aanzien van de belastbaarheid van appellant een ander standpunt in te nemen dan de rechtbank in haar uitspraak heeft gedaan.

4.5.

Ten aanzien van het standpunt van appellant dat de rechtbank ten onrechte bij haar beoordeling van de functie samensteller metaalwaren is uitgegaan wordt als volgt overwogen. Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank op grond van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 juli 2013, niet de conclusie heeft kunnen trekken dat appellant ook voor de functie samensteller metaalwaren geschikt was. De enkele opmerking van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

11 augustus 2014 - waarin wordt gesteld dat hij in zijn rapport van 31 juli 2013 uit zorgvuldigheidsoverweging voor de functie van wikkelaar heeft gekozen dat de functie samensteller metaalwaren ook geschikt te achten is, wordt onvoldoende toereikend geacht.

4.6.

Nu in 4.4 is overwogen dat het Uwv de belastbaarheid van appellant juist heeft ingeschat en in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 juli 2013 inzichtelijk en overtuigend is gemotiveerd waarom appellant, rekening houdende met zijn klachten en daaruit voortkomende beperkingen, in staat geacht moet worden om per 17 juni 2013 de functie van wikkelaar te vervullen heeft het Uwv terecht per deze datum de ZW-uitkering van appellant beëindigd. De rechtbank heeft dan ook terecht het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.7.

Hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.6 leidt tot de conclusie dat de rechtbank moet worden gevolgd in haar oordeel over het bestreden besluit. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet, op (deels) andere gronden worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2014.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

JS