Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3975

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
13-2028 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende medische grondslag. Ondanks de toegenomen klachten, is geen sprake van toegenomen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid en de passendheid van de eerder in het kader van de WIA geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2028 ZW

Datum uitspraak: 28 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 maart 2013, 12/1522 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.A.S. van Leeuwen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Leeuwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.B. Heij.

Deze zaak is ter zitting gevoegd behandeld met de zaak 14/3219 ZW. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting is de behandeling gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk sinds 1 april 2008, op basis van een jaarcontract, werkzaam geweest als loodsmedewerker voor 24 uur per week. Op 21 februari 2009 is hij uitgevallen met enkelklachten. Per einde wachttijd, 19 februari 2011, is voor appellant geen recht ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het Uwv heeft hem destijds onder meer geschikt geacht voor de functies van samensteller metaalwaren (SBC-code 264140), wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050) en medewerker tuinbouw (SBC-code 111010). Het bezwaar van appellant tegen het desbetreffende besluit is door het Uwv bij besluit op bezwaar van 23 juni 2011 ongegrond verklaard. Appellant heeft hiertegen geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Op 8 februari 2012 heeft appellant zich vanuit een situatie waarin hij een werkloosheidsuitkering ontving per 1 juni 2011 ziek gemeld wegens hoofdpijnklachten en toegenomen enkelklachten. Naar aanleiding hiervan heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen. Op 16 maart 2012 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze heeft appellant met ingang van 16 maart 2012 weer geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geduide functies. Op basis van de bevindingen van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 16 maart 2011 (lees: 2012) de

ZW-uitkering van appellant met ingang van eveneens 16 maart 2011 (lees: 2012) beëindigd.

1.3.

Bij besluit van 3 mei 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 maart 2012 onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 mei 2012, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voor onzorgvuldig of onjuist te houden of om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft in haar uitspraak aandacht besteed aan informatie vanuit de behandelend sector, waaronder de informatie van GZ-psycholoog W.F. de Jong van 3 september 2012. Uit de overgelegde medische informatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat appellant per de datum in geding toegenomen beperkingen ondervond vanwege zijn enkelklachten ten opzichte van 19 februari 2011 danwel dat hij vanwege psychische klachten beperkingen ondervond.

3. Appellant heeft in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geoordeeld heeft dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag gebaseerd is. De rechtbank heeft voorts ten onrechte de bevindingen uit het rapport van de eerder genoemde psycholoog niet bij haar oordeel betrokken en eveneens ten onrechte overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de psychische klachten al op de datum in geding aanwezig waren en tot beperkingen leidden. Tevens heeft de rechtbank, zo stelt appellant, ten onrechte het standpunt van het Uwv dat hij per datum in geding in staat was om tenminste één van de in het kader van de WIA beoordeling geduide functies te verrichten, onderschreven. Appellant voelt zich gesteund door de GZ-psycholoog die in haar rapport onder meer concludeert dat appellant vanwege de aanwezigheid van een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) niet in staat is de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

Dat voor appellant met ingang van 19 februari 2011 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet WIA staat in rechte vast. Dat betekent dat in dit geding van de juistheid van de destijds vastgestelde belastbaarheid van appellant en zijn geschiktheid voor de in dat kader geduide functies dient te worden uitgegaan.

4.3.

In deze procedure staat uitsluitend de geschiktheid van appellant op 16 maart 2012 voor ten minste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies ter discussie.

4.4.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd. Appellant wordt niet gevolgd in zijn stelling dat de rechtbank het rapport van voornoemde psycholoog van 3 september 2012 niet bij haar beoordeling betrokken heeft. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt dat zij de in het dossier aanwezige medische informatie, waaronder het rapport van De Jong, bij haar beoordeling betrokken heeft maar hier niet die waarde aan hecht die appellant daaraan gehecht zou willen zien. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit het rapport van de psycholoog niet blijkt dat appellant op de datum in geding, 16 maart 2012 dusdanige psychische klachten had dat hij hierdoor beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid ondervond. In dit kader wordt voorts van belang geacht dat uit de rapporten van de artsen van het Uwv niet blijkt dat appellant ten tijde van de WIA-beoordeling of de beoordeling van de onderhavige ziekmelding psychische klachten ondervond.

4.5.

Voorts wordt het standpunt van appellant, dat zijn lichamelijke beperkingen, vanwege toegenomen enkelklachten, zijn toegenomen niet onderschreven. Uit de in het dossier aanwezige medische informatie, waaronder de informatie van de orthopedisch chirurg en de huisarts blijkt niet dat appellant in de periode 1 juni 2011 tot en met de datum in geding toegenomen beperkingen had ten opzichte van de beperkingen zoals neergelegd in de, in het kader van de eerdere WIA-beoordeling, opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst van

9 maart 2011.

4.6.

Nu het Uwv terecht heeft geoordeeld dat ondanks de toegenomen klachten, geen sprake is van toegenomen beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid en de passendheid van de eerder in het kader van de WIA geduide functies vaststaat, heeft het Uwv terecht geen nader arbeidskundig onderzoek laten verrichten.

4.7.

Hetgeen in 4.1 tot en met 4.6 overwogen is leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2014.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) H.J. Dekker

JS