Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
11-7399 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-uitkering. Geen sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Gelet op de inhoud van het rapport van de door de Raad geraadpleegde deskundige, die zich nadrukkelijk heeft uitgelaten over de data in geding, concludeert de Raad dat er op die data sprake was van een meer dan geringe kans op herstel, wat impliceert dat de aangevallen uitspraken in stand kunnen blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7399 WIA, 13/580 WIA

Datum uitspraak: 28 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van

3 november 2011, 10/2366 en van 24 januari 2013, 12/318, (aangevallen uitspraken)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y. Tamer, advocaat, tegen beide uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaak 11/7399 WIA heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tamer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

Bij tussenuitspraak van 8 maart 2013 heeft de Raad het Uwv in de gelegenheid gesteld een in de tussenuitspraak omschreven gebrek te herstellen.

Op 22 april 2013 heeft het Uwv van die gelegenheid gebruikgemaakt door inzending van een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Appellant en het Uwv hebben daarop nadere stukken ingediend. Drs. A. Sutterland heeft op

3 maart 2014 als deskundige een rapport uitgebracht. Het Uwv heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

Op de zitting van de Raad van 16 mei 2014 is het onderzoek voortgezet, gevoegd met het onderzoek in de zaak 13/580 WIA. Appellant is wederom verschenen, bijgestaan door

mr. Tamer. Het Uwv heeft zich weer laten vertegenwoordigen door mr. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is vanwege lichamelijke en psychische klachten per 3 mei 2008 een

WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.

1.2.

Bij besluit van 12 januari 2010 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat zijn

WIA-uitkering vanaf 3 april 2010 bestaat uit een loongerelateerde uitkering.

1.3.

Bij besluit van 4 mei 2010 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 januari 2010 ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 10 februari 2012 heeft het Uwv, naar aanleiding van een verzoek van appellant van 25 juli 2011 om een herkeuring, aan appellant bericht dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid 100% bedraagt, maar dat de hoogte van zijn loongerelateerde

WIA-uitkering niet wijzigt.

1.5.

Bij besluit van 28 juni 2012 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 februari 2012 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij uitspraken van respectievelijk 3 november 2011 en 24 januari 2013 de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat er op beide in geding zijnde data, 3 april 2010 en 25 juli 2011, geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4 in verbinding met artikel 47 van de Wet WIA.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep opnieuw gesteld dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

3.2.

In zijn tussenuitspraak van 8 maart 2013 heeft de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, het beoordelingskader voor het begrip “volledig en duurzaam arbeidsongeschikt” uiteengezet. Daarbij geldt onder meer dat indien er sprake is van een stabiele of verslechterende situatie in het eerste jaar na de beoordeling, de vaststelling dat in de periode daarna sprake is van een meer dan geringe kans op herstel, concreet en toereikend dient te worden onderbouwd.

3.3.

Met name ten aanzien van de psychische klachten heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat er op termijn, maar niet binnen één jaar, nog een duidelijke verbetering was te verwachten, wat zou leiden tot een vermindering van de klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen. De Raad verwijst in dit verband naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 augustus 2010, die concludeert dat ongeveer 70% van de patiënten met angststoornissen goed op een behandeling met cognitieve gedragstherapie reageert en naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 april 2013.

3.4.

De Raad heeft aanleiding gezien om advies te vragen aan psychiater Sutterland, die op

3 maart 2014 een rapport heeft uitgebracht. Deze deskundige concludeert dat er op 3 april 2010 en/of 25 juli 2011 sprake was van een chronische depressieve stoornis en niet van een posttraumatische stressstoornis. Omdat er toen nog geen adequate behandeling had plaatsgevonden, was er nog een kans op verbetering ten aanzien van de depressieve klachten en konden de klachten niet als duurzaam worden aangemerkt. Er was kans op verbetering van de klachten. De kans daarop was echter wel aanzienlijk lager dan 70%, die door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt aangehouden. Inmiddels heeft adequate behandeling plaatsgevonden, die echter niet heeft geleid tot vermindering van klachten. Momenteel is er wel degelijk sprake van duurzaamheid van de klachten.

4.1.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De door de deskundige gebezigde motivering is overtuigend. De Raad kent dan ook beslissende betekenis toe aan de conclusie van de door hem ingeschakelde deskundige.

4.2.

Gelet op de inhoud van het rapport van de deskundige, die zich nadrukkelijk heeft uitgelaten over de data in geding, concludeert de Raad dat er op die data sprake was van een meer dan geringe kans op herstel, wat impliceert dat de aangevallen uitspraken in stand kunnen blijven.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en H.C.P. Venema en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) M.P. Ketting

NK