Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
13-1170 ZW-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering. De Raad volgt het standpunt van behandelend psychiater dat appellant ten tijde hier in geding meer beperkt was dan in het begin van 2008 en daarom ook meer beperkt dan door het Uwv bij het bestreden besluit is aangenomen. Het bestreden besluit ontbeert een juiste medische onderbouwing. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1170 ZW-T

Datum uitspraak: 26 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

22 januari 2013, 12/1748 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

De erven en/of rechtverkrijgenden van [appellanten], laatstelijk gewoond hebbende te

[woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens [appellanten] heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 15 oktober 2014. Namens appellanten is verschenen, mr. Van Willigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

Mr. Van Willigen heeft ter zitting verklaard dat [naam] op 27 juli 2014 is overleden en dat de procedure wordt voortgezet namens de erven en/of rechtverkrijgenden.

OVERWEGINGEN

1.1.

[naam] heeft van 19 maart 2008 tot 19 juli 2009 vanwege psychische klachten een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen.

1.2.

[naam] heeft zich op 1 november 2011 ziek gemeld vanwege (toegenomen) psychische klachten. Hij ontving toen een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op

21 december 2011 is [naam] in het kader van de Ziektewet (ZW) gezien door een verzekeringsarts, die informatie heeft ontvangen van behandelend psychiater

S.J.M. Grondman. De verzekeringsarts achtte [naam] niet meer beperkt dan was aangenomen in de per 12 juni 2008 geldende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Bij besluit van

21 december 2011 is bepaald dat [naam] per 1 november 2011 geschikt is de in 2008 in het kader van de Wet WIA geduide functies te verrichten.

1.3.

Bij besluit van 8 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van [naam] tegen het besluit van 21 december 2011 ongegrond verklaard, met dien verstande dat de datum waarop [naam] geschikt werd geacht voor het verrichten van arbeid is gewijzigd in

22 december 2011. Aan het bestreden besluit liggen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 maart 2012 en van 14 maart 2012.

2.1.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft [naam] brieven overgelegd van psychiater Grondman en van psychotherapeut M.C.H. Bakker. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op deze informatie gereageerd met een rapport van 4 december 2012.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en is tot de conclusie gekomen dat het Uwv zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat [naam] op de in geding zijnde datum van 22 december 2011 niet verdergaand psychisch beperkt was te achten dan was aangegeven in de FML van 12 juni 2008.

3.1.

[naam] heeft in hoger beroep (samengevat) aangevoerd dat hij op of omstreeks de datum in geding ten gevolge van zijn psychische klachten niet geschikt was voor arbeid. Zijn klachten waren eind 2011 en begin 2012 zelfs ernstiger dan in het begin van 2008, toen hij een WIA-uitkering ontving.

3.2.

In verweer heeft het Uwv zijn standpunt herhaald dat er geen aanwijzingen waren voor toegenomen arbeidsongeschiktheid en verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4.1.

De Raad oordeelt als volgt.

4.2.

[naam] heeft zijn standpunt in hoger beroep (onder meer) onderbouwd met een e-mail van psychiater Grondman van 27 februari 2013, waarin deze heeft gesteld dat bij [naam] in januari 2012 - kort na de datum in geding - sprake was van een depressieve stoornis, matig ernstig tot ernstig, en dat hij er in januari 2012 in psychiatrisch opzicht ernstiger aan toe was dan in 2008. [naam] heeft erop gewezen dat hij vanaf 19 maart 2008 een WIA-uitkering ontving, gebaseerd op een per die datum geldende FML, waarin onder meer een urenbeperking was opgenomen zodat, gelet op de verklaring van zijn behandelend psychiater, zijn medische beperkingen op de datum in geding zeker niet minder waren dan die als vastgelegd in de per 19 maart 2008 geldende FML. In reactie hierop heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 8 mei 2013 gesteld dat hij bij de hoorzitting op

29 februari 2012 bij [naam] geen ernstig depressief toestandsbeeld heeft waargenomen, en dat hij de notitie van psychiater Grondman dat Verbaal in januari 2012 duidelijk depressief was, niet bevestigt.

4.3.

Psychiater Grondman heeft [naam] zowel in 2007 en 2008 als in 2011 en daarna behandeld en hem in dat kader veelvuldig gezien. Hij was daarom in staat om vanuit zijn specialisme informatie te geven over de psychische gesteldheid van [naam] in de periode rond de datum in geding. Aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat hij bij de hoorzitting geen ernstig depressief beeld heeft waargenomen, komt in de gegeven situatie niet het gewicht toe dat het Uwv daaraan wenst toe te kennen. De Raad volgt het standpunt van psychiater Grondman dat [naam] ten tijde hier in geding meer beperkt was dan in het begin van 2008 en daarom ook meer beperkt dan door het Uwv bij het bestreden besluit is aangenomen. Dit betekent dat het bestreden besluit een juiste medische onderbouwing ontbeert.

5. De Raad ziet in het voorgaande aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) J.R. van Ravenstein

JS