Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3968

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
13-612 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ter uitvoering van de tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:1196) heeft het Uwv een nieuw besluit genomen en alsnog een WAO-uitkering toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/612 WAO

Datum uitspraak: 28 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

21 december 2012, 12/3925 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Na een tussenuitspraak van 11 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1196, heeft het Uwv een gewijzigd besluit op bezwaar van 3 juli 2014 naar de Raad gezonden, vergezeld van een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 21 mei 2014.

Appellant heeft zijn zienswijze daarover naar voren gebracht.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 11 april 2014 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. In zijn tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de arbitraire keuze om 8 mei 2007 aan te merken als het moment waarop de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 juni 2012 al geldig is, in voldoende mate kan worden gemotiveerd. De Raad heeft geconcludeerd dat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat appellant sterk beperkt is in het samenwerken en dat hij is aangewezen op arbeid meestal zonder direct contact met collega’s. Dit komt blijkens het arbeidskundig rapport van 22 juni 2012 in normale gangbare arbeid niet of nauwelijks voor. De Raad heeft overwogen dat het voor de hand ligt te veronderstellen dat dezelfde conclusie kan worden getrokken voor de situatie geldend op 8 mei 2007, maar dat ter bevestiging daarvan een arbeidskundig onderzoek is aangewezen. De Raad heeft het Uwv opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2.1.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op 21 mei 2014 een nader rapport uitgebracht. In dit rapport komt hij tot de conclusie dat per

8 mei 2007 voor appellant geen passende functies zijn te duiden en dat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum op 80 tot 100% is vast te stellen. Vervolgens heeft het Uwv bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 3 juli 2014 het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit van 24 november 2011 in zoverre alsnog gegrond verklaard dat appellant met ingang van 5 juni 2007, na een wachttijd van vier weken, een WAO-uitkering krijgt toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.

2.2.

Appellant heeft nadere gronden aangevoerd tegen het besluit van 3 juli 2014, in die zin dat hij heeft verzocht om hem ook voor de resterende maanden, te rekenen vanaf

1 januari 2007, een WAO-uitkering toe te kennen.

3. Het gewijzigde besluit van 3 juli 2014 wordt, gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken.

4.1.

De Raad constateert dat het Uwv heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 21 mei 2014 vastgesteld dat op 8 mei 2007 voor appellant onvoldoende functies waren te duiden, zodat de resterende verdiencapaciteit op nihil moest worden gesteld.

4.2.

De Raad ziet geen aanleiding om appellant te volgen in zijn verzoek de WAO-uitkering toe te kennen met ingang van 1 januari 2007. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak waarin onder 4.1 is overwogen dat in dit geding niet aan de orde kan zijn de situatie op

1 januari 2007. In deze tussenuitspraak is onder 4.5 overwogen dat de arbitraire keuze om

8 mei 2007 aan te merken als het moment waarop de FML van 20 juni 2012 al geldig is, in voldoende mate kan worden gemotiveerd.

4.3.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2, bezien in samenhang met de overwegingen in de tussenuitspraak, volgt dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen. Voor zover het beroep wordt geacht mede te zijn gericht tegen het gewijzigde besluit van 3 juli 2014 is dit ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 juli 2014 ongegrond;

- bepaalt dat het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) P. Boer

JS