Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
14-1454 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Beëindiging ZW-uitkering. Het Uwv heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard, wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding bij het indienen van het bezwaarschrift. 2) Weigering WIA-uitkering. Geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts dat appellant niet gedurende de volledige wachttijd van 104 weken arbeidsongeschikt is gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1454 WIA, 14/1458 ZW

Datum uitspraak: 28 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

31 januari 2014, 13/705 en 13/706 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.R.V.L. Kicken CPL hoger beroep ingesteld. Nadien heeft

mr. Kicken zich als gemachtigde onttrokken.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2014. Appellant is in persoon verschenen, vergezeld door zijn moeder en zus. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft zich op 15 november 2010 ziek gemeld. Aan appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Tijdens het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv op 31 oktober 2012 is appellant per 1 november 2012 hersteld verklaard en bij het hem door de verzekeringsarts uitgereikte besluit van eerstgenoemde datum is de hem toegekende uitkering ingevolge de ZW beëindigd per 1 november 2012. Bij besluit van

17 januari 2013 (bestreden besluit I) heeft het Uwv, onder de overweging dat het bezwaar niet tijdig is ingediend, het bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2012 niet-ontvankelijk verklaard.

1.2.

Bij besluit van 8 november 2012 heeft het Uwv geweigerd appellant vanaf 23 november 2012 (lees: 12 november 2012) in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat appellant niet heeft voldaan aan de voorwaarde dat hij door ziekte zijn werk 104 weken (de wachttijd) niet (volledig) kon doen. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van eveneens 17 januari 2013 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard.

2.2.

Ten aanzien van bestreden besluit I heeft de rechtbank vastgesteld dat, nu tussen partijen niet in geschil is dat het besluit van 31 oktober 2012 op diezelfde datum aan appellant is uitgereikt, met het door appellant ingediende digitale bezwaarschrift van 14 december 2012 buiten de in artikel 75k van de ZW vastgestelde termijn van twee weken bezwaar is gemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat in de in het dossier aanwezige (medische) rapporten en in de door appellant overgelegde medische verklaringen geen steun te vinden is voor het oordeel dat appellant redelijkerwijs niet in staat was tijdig bezwaar te maken dan wel dat de opgegeven reden voor de late indiening van het bezwaar een verschoonbare termijnoverschrijding oplevert. Bij onduidelijkheden over de te volgen procedure had het op de weg van appellant en zijn familie gelegen om hiertoe een derde in te schakelen.

2.3.

Met betrekking tot bestreden besluit II heeft de rechtbank de conclusie van het Uwv onderschreven dat appellant niet aan de voorwaarde voldoet dat hij door ziekte zijn werk 104 weken niet kon verrichten en dus de wachttijd niet heeft volgemaakt.

3.1.

Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft in hoger beroep zijn standpunt bij het bestreden besluit I herhaald dat zijn ZW-uitkering ten onrechte per

1 november 2012 is beëindigd. Het bezwaar tegen deze beslissing moet ontvankelijk en gegrond worden verklaard omdat wel sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat appellant wel in staat was tijdig bezwaar aan te tekenen dan wel dat zijn moeder hem daarbij had kunnen helpen dan wel daarop had kunnen wijzen.

3.2.

Voorts blijft appellant van mening dat de door hem aangevraagde WIA-uitkering toegekend moet worden.

3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft met betrekking tot bestreden besluit II verder nog benadrukt dat niet is gebleken dat binnen vier weken (in dit geval feitelijk twee weken) na de hersteldverklaring per 1 november 2012 een nieuwe ziekmelding dan wel een verslechtering van de medische toestand van appellant heeft plaatsgevonden waardoor de wachttijd wel is vervuld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

14 1458 ZW

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het op 14 december 2012 ingediende bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2012 is gemaakt na de in de artikel 75k van de ZW voorgeschreven termijn van twee weken. Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de hiervoor genoemde termijn ingediend bezwaarschrift,

niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2.

Ter beoordeling staat of deze termijnoverschrijding verschoonbaar was.

4.3.

De gronden die appellant in hoger beroep tegen bestreden besluit I naar voren heeft gebracht, zijn een herhaling van de gronden in eerste aanleg. De rechtbank heeft deze gronden besproken en gemotiveerd geoordeeld waarom ze niet kunnen slagen. Op goede gronden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het standpunt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding en dat het bezwaar van appellant terecht bij bestreden besluit I niet-ontvankelijk is verklaard.

14 1454 WIA

4.4.

Artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat de verzekerde recht heeft op toekenning van een uitkering zodra hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest en na afloop nog arbeidsongeschikt is. Als eerste dag van de arbeidsongeschiktheid geldt de eerste werkdag waarop wegens ziekte niet is gewerkt of het werken tijdens de werktijd is gestaakt. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat perioden van arbeidsongeschiktheid worden samengeteld als zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen en dat voor het bepalen van het tijdvak van 104 weken steeds in aanmerking worden genomen tijdvakken, gedurende welke aanspraak bestaat op ziekengeld op grond van de ZW.

4.5.

Nu bestreden besluit I in rechte vast staat, ligt nog slechts de vraag voor of na 1 november 2012 een verslechtering van de medische toestand van appellant heeft plaatsgevonden, waardoor de wachttijd wel is vervuld.

4.6.

Met het Uwv beantwoordt de Raad deze vraag op grond van de in het dossier aanwezige medische gegevens ontkennend. Het dossier bevat geen concrete, objectief- medische gegevens op grond waarvan moet worden aangenomen dat de gezondheidstoestand van appellant in de periode van twee weken volgend op 1 november 2012 is verslechterd. Uit de geneeskundige rapporten die betrekking hebben op de arbeidsongeschiktheid van appellant tot 1 november 2012 blijkt dat deze arbeidsongeschiktheid berustte op psychische klachten. In het op verzoek van de verzekeringsarts door psychiater Notten uitgebrachte rapport van

25 oktober 2012 komt deze deskundige, na uitvoerig psychiatrisch onderzoek en klinische observatie van vijf dagen, tot de conclusie dat geen sprake is van ziekte en dat hij het eens is met het behandelplan van de verzekeringsarts om met ingang van 1 november 2012 appellant te re-integreren binnen werkzaamheden en zeker niet mee te gaan in zijn steeds zieker aandoend gedrag. De psychiater heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het door appellant getoonde gedrag niet te verklaren is vanuit een psychiatrisch ziektebeeld. Er is zeker geen sprake van een stemmingsstoornis of een angststoornis en de problematiek van appellant is evenmin te begrijpen vanuit een psychotische stoornis, c.q. een schizofrene ontwikkeling. De psychiater voelt zich daarbij in feite gesteund door het rapport van de behandelend psychiater Trompenaar en klinisch psycholoog Ligthart van 20 augustus 2012 waarin eveneens is aangegeven dat een discrepantie bestaat tussen de actuele presentatie van appellant, de tegenstrijdige informatie die appellant gaf en de resultaten van het testmateriaal op grond waarvan zij geen oordeel konden geven over de eventuele klachten. Nu Notten op 25 oktober 2012 heeft gerapporteerd en appellant met ingang van 1 november 2012 hersteld is verklaard voor de ZW, is er geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts dat appellant niet gedurende de volledige wachttijd van 104 weken arbeidsongeschikt is gebleven. Blijkens de mededeling van het Uwv in hoger beroep heeft ook geen nieuwe ziekmelding meer plaatsgevonden na 1 november 2012. Appellant is dus terecht niet in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de WIA.

4.7.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek tot veroordeling van vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en J.W. Schuttel en

J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) S. Aaliouli

JvC