Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
12-1063 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Ter uitvoering van de eerdere tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:435) heeft het Uwv een nadere verzekerings- en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit ingediend. Het Uwv had niet zonder nader onderzoek mogen aannemen dat de echtgenote van appellant in staat is hem gedurende een aanvangsperiode van het werk naar en van het werk te begeleiden. Geen zorgvuldig arbeidskundig onderzoek. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2014/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1063 WIA-T

Datum uitspraak: 28 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 januari 2012, 11/1694 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 7 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:435) een tussenuitspraak gedaan.

Het Uwv heeft bij brief van 26 maart 2014 een nadere verzekerings- en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit ingediend.

Desgevraagd door de Raad heeft appellant een zienswijze ingediend.

Desgevraagd door de Raad heeft het Uwv een reactie op de zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.A.M. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 7 februari 2014 (tussenuitspraak) voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.

1.2.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv rapporten van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van onderscheidenlijk 11 maart 2014 en 19 maart 2014 overgelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft te kennen gegeven de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

20 januari 2011 in overeenstemming met de bevindingen en conclusies van psychiater Van Marle te hebben gebracht. In de FML van 11 maart 2014 is een aantal nadere beperkingen opgenomen met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren van appellant.

1.3.

Met betrekking tot het item vervoer heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer in het bijzonder opgemerkt dat appellant zelfstandig kan opereren in de nabije omgeving van zijn woning, maar dat hij bij langere reisafstand een vervoersvoorziening nodig heeft. Hij kan hierbij in aanvang samen reizen met een bekende. Het is te verwachten dat na gewenning aan een andere vaste begeleider zo’n bekende/familielid niet meer noodzakelijk is. Gelet op de afname van zijn agorafobische klachten in de afgelopen jaren acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep het aannemelijk dat appellant uiteindelijk weer zelfstandig kan reizen.

1.4.

In het rapport van 19 maart 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te kennen gegeven dat appellant uitgaande van de FML van 11 maart 2014 geschikt kan worden geacht voor de functies machinaal metaalbewerker (Sbc-code 264122), wikkelaar, samensteller electronische apparatuur (Sbc-code 267050) en huishoudelijk medewerker gebouwen (Sbc-code 111224). Gelet op de loonwaarde van deze functies in relatie tot het voor appellant in aanmerking te nemen maatmaninkomen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het verlies aan verdienvermogen op de datum in geding, 22 februari 2011, nader vastgesteld op 79,61%.

1.5.

Ter toelichting op de signaleringen bij deze functies op het item vervoer heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep verwezen naar de in 1.3 vermelde overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en daaraan toegevoegd dat appellant bij aanvang samen kan reizen met zijn echtgenote.

2. Appellant heeft in zijn zienswijze te kennen gegeven geen specifieke opmerkingen te hebben naar aanleiding van de aanpassing van de FML. Appellant is van oordeel dat het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 19 maart 2014 geen deugdelijke motivering bevat voor het betreden besluit, omdat dit rapport niet berust op zorgvuldig en volledig onderzoek. Het Uwv is er ten onrechte van uitgegaan dat de beperkingen van appellant in verband met het vervoer naar en van zijn werk zouden kunnen worden ondervangen door hem samen te laten reizen met zijn echtgenote. De echtgenote heeft zelf forse beperkingen, zoals rugklachten en migraine-aanvallen en ontvangt in verband daarmee een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bovendien heeft zij geen rijbewijs, zodat zij appellant niet kan vervoeren naar een werkplek. Het Uwv heeft ten onrechte nagelaten onderzoek te doen naar de situatie van de echtgenote van appellant.

3. Naar aanleiding van de zienswijze van appellant heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 23 april 2014 te kennen gegeven dat de echtgenote van appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% en daarnaast geen dienstverband heeft. De echtgenote heeft geen zodanig ernstige beperkingen dat zij niet tot het (tijdelijk) begeleiden van appellant in staat kan worden geacht. Een rijbewijs is niet noodzakelijk. Gedurende een beperkte periode kan de echtgenote mee reizen als begeleidster. Na gewenning kan appellant vervoerd worden door een vaste chauffeur.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals appellant ter zitting heeft bevestigd is nu alleen nog in geding of het bestreden besluit met de in hoger beroep overgelegde rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van een deugdelijke arbeidskundige motivering is voorzien.

4.2.

Het betoog van appellant slaagt.

4.2.1.

Uitgangspunt is dat psychiater van Marle - naar uit 4.2 en 4.3 van de tussenuitspraak blijkt - zich op het standpunt heeft gesteld dat het voor appellant in verband met zijn beperkingen om te reizen en ver van huis te gaan mogelijk onhaalbaar is om naar het werk te gaan.

4.2.2.

Het Uwv had niet zonder nader onderzoek mogen aannemen dat de echtgenote van appellant in staat is hem gedurende een aanvangsperiode van het werk naar en van het werk te begeleiden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft nagelaten contact op te nemen met de echtgenote en daardoor geen zekerheid verkregen of zij daadwerkelijk in staat is in de voor appellant noodzakelijk begeleiding te voorzien. Daar komt bij dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen inzicht heeft gegeven in de lengte van de periode gedurende welke appellant op begeleiding van zijn echtgenote is aangewezen. Bij de beantwoording van de vraag of de voor appellant noodzakelijke begeleiding voor de echtgenote haalbaar is zal tevens rekening moeten worden gehouden met de huishoudelijke taken die de echtgenote verricht en met eventuele beperkingen die zij zelf bij de begeleiding zou ondervinden.

4.2.3.

Appellant heeft dan ook terecht betoogd dat aan bestreden besluit geen zorgvuldig arbeidskundig onderzoek ten grondslag ligt en niet berust op een deugdelijke motivering en daarmee in strijd is met de artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv dient met inachtneming van hetgeen in 4.2 is overwogen te onderzoeken en nader te motiveren of en in hoeverre de door het Uwv noodzakelijk geachte begeleiding van appellant naar en van het werk door zijn echtgenote mogelijk is.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden beskuit te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) I. Mehagnoul

MK