Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
11-6271 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Niet gebleken dat de klachten van appellante zijn onderschat. Medische beperkingen juist vastgesteld. De voorgehouden functies zijn in medisch opzicht geschikt voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/6271 WIA

Datum uitspraak: 12 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 september 2011, 10/3416 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Aan het geding heeft voorts als partij deelgenomen [naam werkgeefster] (werkgeefster)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Werkgeefster heeft desgevraagd te kennen gegeven als partij aan het geding te willen deelnemen.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Blom. Namens werkgeefster is verschenen D.W. Triest, arts. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is bij werkgeefster in dienst geweest als schoonmaakster voor 10 uur per week. Op 24 september 2007 heeft zij zich, aansluitend aan haar uitkering ingevolge de Wet arbeid en zorg (Wazo), arbeidsongeschikt gemeld wegens klachten als gevolg van haar zwangerschap en bevalling. Na het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Nadat appellante was onderzocht door de verzekeringsarts heeft deze arts in haar rapport van 13 oktober 2009 vastgesteld dat appellante als gevolg van haar lichamelijke (onder meer

buik- en rugklachten) en psychische klachten beperkingen heeft. Deze beperkingen heeft deze arts weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens is een arbeidsdeskundige in zijn rapport van 21 oktober 2009 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk, maar nog wel geschikt voor een vijftal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 6 november 2009 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 21 september 2009 geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2. Na rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidskundige heeft het Uwv bij besluit van 9 juni 2010 (bestreden besluit) het door appellante tegen het besluit van

6 november 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.

Het door appellante tegen dat besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het door het Uwv ingestelde medische onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de voor appellante vastgestelde beperkingen niet zijn onderschat. Voorts is appellante terecht geschikt geacht voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies.

3.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar beperkingen ernstig zijn onderschat. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft appellante in hoger beroep informatie ingebracht van haar huisarts.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank dat een zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar de klachten van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen wordt onderschreven. Daartoe wordt overwogen dat appellante door de verzekeringsarts is onderzocht en dat deze arts bij haar beoordeling de beschikking heeft gehad over informatie van de huisarts en de behandelend internist, tevens is hierbij in overweging genomen dat de bezwaarverzekeringsarts de beschikking heeft gehad over de door deze arts opgevraagde informatie bij het Boerhaave Medisch Centrum en de door appellante in bezwaar ingebrachte medische informatie. Met betrekking tot de vastgestelde belastbaarheid wordt overwogen dat niet is gebleken dat de klachten van appellante zijn onderschat dan wel onjuist zijn geïnterpreteerd en evenmin dat de informatie uit de behandelende sector in de omschrijving van de medische beperkingen en mogelijkheden onjuist zou zijn uitgelegd. Appellante heeft geen andersluidende informatie overgelegd of op enige andere wijze aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van haar klachten meer beperkingen heeft dan zijn aangenomen. Het oordeel van de rechtbank dat de voor appellante vastgestelde beperkingen niet zijn onderschat, wordt derhalve eveneens onderschreven. De door appellante in hoger beroep ingebrachte informatie van de huisarts kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien deze informatie niet ziet op de datum in geding. Gelet op het voorgaande wordt voor het inschakelen van een onafhankelijk medische deskundige geen aanleiding gezien.

4.2.

Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank eveneens terecht geoordeeld dat de functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante, gelet op de aan deze functies verbonden belastende factoren. Daarvoor wordt verwezen naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 8 juni 2010, waarin de signaleringen met betrekking tot de belastende factoren van de functies zijn toegelicht.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014.

(getekend) J.J.T van den Corput

(getekend) S. Aaliouli

NW