Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3958

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
04-12-2014
Zaaknummer
11-2655 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Bestreden besluit berust niet op een juiste medische grondslag. De Raad draagt het Uwv op het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2655 WIA-T

Datum uitspraak: 28 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

12 april 2011, 10/947 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting van een enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 7 juni 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

Het onderzoek is heropend na de zitting.

De Raad heeft drs. D.W. Oppedijk, psychiater, en drs. N.D.A. Harbiye, psychiater in opleiding, als deskundigen benoemd. De deskundigen hebben op 4 december 2013 een schriftelijk verslag van hun onderzoek bij de Raad ingediend.

Over en weer hebben partijen alsook de deskundigen Oppedijk en Harbiye nadere reacties gegeven.

Appellant heeft een rapport van 7 oktober 2014 van psychiater R. Douma ingediend.

Met een rapport van 15 oktober 2014 heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op het rapport van Douma gereageerd.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer.

Op 17 oktober 2014 heeft een tweede zitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. L.S. Slinkman, advocaat en kantoorgenoot van mr. Dieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 7 februari 2007 vanwege lichamelijke en psychische klachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als administratief medewerker. Bij besluit van 20 april 2010 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering, waarvoor appellant op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 4 februari 2009 in aanmerking was gebracht, met ingang van 21 juni 2010 beëindigd, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.2.

In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast, waarna de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat appellant geschikt was voor zijn maatgevende arbeid en tevens in staat moest worden geacht om ten minste 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen in functies die hij, gelet op zijn beperkingen, kan uitoefenen. Bij besluit van 6 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 20 april 2010 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak vastgesteld dat het Uwv ter zitting heeft erkend dat, gelet op het bepaalde in artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een tweede hoorzitting had moeten plaatsvinden naar aanleiding van de gewijzigde visie van het Uwv ten aanzien van de geschiktheid van appellant voor zijn maatgevende arbeid. Nu deze hoorzitting niet heeft plaatsgevonden en appellant niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op het gewijzigde standpunt van het Uwv, kan het bestreden besluit reeds om die reden niet in stand blijven wegens strijd met voornoemd wettelijk voorschrift. De rechtbank heeft vervolgens bezien of uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting reden bestaat te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven. Omdat appellant tijdens het onderzoek ter zitting alsnog de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt naar voren te brengen ten aanzien van zijn geschiktheid voor de maatgevende arbeid en de rechtbank zich ook kon verenigen met de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, heeft zij bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen blijven.

3. Appellant heeft in hoger beroep in de eerste plaats naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om te bepalen dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank had het onderzoek ter zitting kunnen schorsen dan wel het onderzoek kunnen heropenen of door middel van een tussenuitspraak het Uwv in de gelegenheid kunnen stellen het gebrek te laten herstellen. Voorts heeft appellant het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit gemotiveerd bestreden. Daartoe heeft hij onder meer een rapport van medisch adviseur

D. J. Schakel ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierin geen aanleiding gezien zijn eerdere conclusies te wijzigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 26 oktober 2007, ECLI:NL:CRVB:BB6595), geeft artikel 8:72, derde lid, van de Awb, de rechtbank een grote mate van vrijheid om al dan niet gebruik te maken van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven. Het al dan niet gebruik maken van deze bevoegdheid mag in een concreet geval slechts met terughoudendheid worden getoetst. Gelet op wat door de rechtbank daartoe is overwogen, hieronder in 2 samengevat als het streven naar definitieve geschilbeslechting en het herstel van de omissie in beroep, doorstaat de beslissing van de rechtbank de hier aan te leggen beperkte toetsing. De eerste beroepsgrond treft dus geen doel.

4.2.

De Raad heeft, als vermeld in de rubriek procesverloop, ten behoeve van zijn oordeelsvorming over de medische grondslag van het bestreden besluit, de psychiaters Oppedijk en Harbiye geraadpleegd. In hun rapport concluderen deze deskundigen op grond van dossieronderzoek, anamnese en eigen psychiatrisch onderzoek dat bij appellant naast slaapapneu en adipositas (op As I) sprake is van een dysthyme stoornis en (op As II) van een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische, ontwijkende en obsessief-compulsieve trekken. Op grond van hun onderzoek en de gestelde diagnosen onderschrijven de deskundigen de FML van 17 augustus 2010. Wel adviseren zij op grond van de al langer bestaande klacht van verminderde concentratie, welke te verklaren is door de dysthyme stoornis in combinatie met de slaapapneu, aanvullende beperkingen op te nemen ten aanzien van het vasthouden en het verdelen van de aandacht (beoordelingspunten 1.1 en 1.2), verminderd inzicht in eigen kunnen (beoordelingspunt 1.4) en het handelingstempo (beoordelingspunt 1.7). Op grond van de persoonlijkheidsproblematiek is appellant ook beperkt ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen (beoordelingspunt 2.6) en het uiten van eigen gevoelens (beoordelingspunt 2.7). Ten slotte achten de deskundigen het wellicht nodig een longarts te raadplegen om een uitspraak te doen over de mogelijke gevolgen van de adipositas en de slaapapneu voor de belastbaarheid van appellant overdag.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 2 januari 2014 te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met toevoeging van de beoordelingspunten 2.6 en 2.7 aan de FML. Aanleiding om daarnaast ook de beoordelingspunten 1.1, 1.2, 1.4 en 1.7 toe te voegen is er volgens deze arts niet, omdat volgens de invulinstructie van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) sprake moet zijn van een ernstige stoornis alvorens beperkingen op deze punten mogen worden vermeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onder verwijzing naar genoemde invulinstructie gesteld dat beoordelingspunt 1.1 bij appellant niet is gescoord, omdat sprake was van adequate deelname aan het beoordelingsgesprek. Verder wordt beoordelingspunt 1.7 alleen gescoord, indien sprake is van een aanmerkelijk vertraagd handelingstempo. Daarvan is bij appellant geen sprake. Appellant is wel aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo is vereist (beoordelingspunt 1.9.8). Volgens de verzekeringsarts is met de score op beoordelingspunt 1.9 ook al voldoende rekening gehouden met het beoordelingspunt “inzicht in eigen kunnen” (beoordelingspunt 1.4). Volgens de invulinstructie moet dit beoordelingspunt alleen bij ernstige stoornissen, zoals ernstige depressie, manie en psychose worden gescoord, waarvan bij appellant geen sprake is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 8 januari 2014 een gewijzigde FML vastgesteld, waarin beperkingen ten aanzien van de beoordelingspunten 2.6 en 2.7 zijn opgenomen.

4.4.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 16 januari 2014 geconcludeerd dat de aldus gewijzigde FML niet leidt tot een gewijzigde arbeidskundige beoordeling.

4.5.

In reactie op het rapport van 2 januari 2014 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben de deskundigen desgevraagd de Raad bij brief van 16 juli 2014 te kennen gegeven het standpunt en conclusies van de verzekeringsarts ten aanzien van de beoordelingspunten 1.1, 1.2, 1,4 en 1.7, ook na bestudering van de invulinstructie, niet te delen. De in deze invulinstructie genoemde voorbeelden kunnen volgens de deskundigen wel degelijk betrekking hebben op de bij appellant vastgestelde stoornissen.

4.6.

In een nader rapport van 26 augustus 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn standpunt als volgt nader toegelicht.

4.6.1.

Bij beoordelingspunt 1.1 (“vasthouden van de aandacht”) is de vuistregel dat er bij een adequate deelname aan het beoordelingsgesprek geen indicatie is voor beperkingen op dit punt. Dit beoordelingspunt is niet gescoord, omdat appellant adequaat kan deelnemen aan een gesprek. Dit wordt ook in het onderzoek van de deskundigen beschreven.

4.6.2.

Bij beoordelingspunt 1.2 (“verdelen van de aandacht”) is de vuistregel dat bij een normale zelfverzorging geen sprake kan zijn van een stoornis in het verdelen van de aandacht als bedoeld bij dit beoordelingspunt. Van een gestoorde zelfverzorging is niet gebleken.

4.6.3.

Bij beoordelingspunt 1.4 (“inzicht in eigen kunnen”) moet het gaan om het in ernstige mate overschatten dan wel onderschatten van de eigen mogelijkheden. Omdat bij de beschreven persoonlijkheidsproblematiek sprake zou kunnen zijn van enige overschatting (narcistische trekken) als ook onderschatting (ontwijkende trekken) maar niet van - in de invulinstructie genoemde - ernstige over- dan wel onderschatting van de eigen mogelijkheden, is ervoor gekozen dit beoordelingspunt niet te scoren. Dit beoordelingspunt is wel vertaald in een aantal specifieke voorwaarden voor het persoonlijk functioneren in arbeid (beoordelingspunt 1.9).

4.6.4.

Bij beoordelingspunt 1.7 (“handelingstempo”) geldt als uitgangspunt dat alleen een score volgt als het handelingstempo aanmerkelijk is vertraagd. Bedoeld is om een permanente en aanzienlijke vertraging van het algehele handelen te karakteriseren. Dit zal alleen voorkomen bij een ernstige stoornis. Bij een score op dit beoordelingspunt is de kans op het uitvoeren van een functie op de arbeidsmarkt uitermate gering. Volgens de verzekeringsarts gaat het met name om de begrippen “aanmerkelijk” en “aanzienlijk”, welke begrippen hij in het rapport van de deskundigen niet heeft aangetroffen. Daarom heeft de verzekeringsarts geen beperking op dit beoordelingspunt vermeld. Hij heeft hieraan nog toegevoegd dat een enigszins vertraagd handelingstempo niet bij dit beoordelingspunt thuishoort, maar bij 1.9.8 (“aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is”).

4.6.5.

Ten slotte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven gehouden te zijn aan de kaders van de invulinstructie van het CBBS. Hij heeft benadrukt dat het gaat om de ernst van de stoornis. Een dysthyme stoornis is niet als een ernstige stemmingsstoornis te karakteriseren. Mogelijk hebben de deskundigen bedoeld dat de combinatie met de persoonlijkheidsproblematiek tot ernstige beperkingen leidt, maar dat kan deze verzekeringsarts niet goed rijmen met de opmerking van de deskundigen dat appellant in staat wordt geacht tot deelname aan de reguliere arbeidsmarkt. Het scoren van de bovengenoemde beoordelingspunten maakt dat volgens de verzekeringsarts onmogelijk.

4.7.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het door de deskundigen uitgebrachte rapport en hun - in reactie op het weerwoord van de verzekeringsarts bezwaar en beroep - nadere toelichting daarop, geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en zijn inzichtelijk en consistent.

4.7.1.

De Raad volgt de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in zijn hiervoor in zijn rapporten van 2 januari 2014 en 26 augustus 2014 gegeven uiteenzettingen. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting van de Raad van 17 oktober 2014 overweegt hij daartoe het volgende.

4.7.2.

In zijn uitspraken van 4 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1646; ECLI:NL:CRVB:2013:1647, heeft de Raad geoordeeld dat de Basisinformatie een handleiding is voor de verzekeringsartsen bij het beoordelen en vaststellen van beperkingen en het invullen van de FML. De handleiding geeft aanwijzingen aan de verzekeringsartsen hoe om te gaan met het CBBS als ondersteunend systeem en bevat bepaalde uitgangspunten en handvatten. De Basisinformatie schrijft niet dwingend aan de verzekeringsartsen voor welke beperkingen wel en welke niet in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de belastbaarheid. De verzekeringsarts heeft de mogelijkheid om in het individuele geval af te wijken van de lijst van beperkingen dan wel aanvullende beperkingen te formuleren, zowel op de FML als in de verzekeringsgeneeskundige rapporten. De toelichting in de Basisinformatie (invulinstructie) over ernstige stoornissen laat onverlet de mogelijkheid voor de verzekeringsarts om een beperking aan te geven bij beoordelingspunten 1.1 tot en met 1.8 ook als geen sprake is van een ernstige stoornis. Daarbij heeft de Raad opgemerkt dat van belang is dat de beoordeling door de verzekeringsarts voldoende en inzichtelijk moet worden gemotiveerd, nu het in het individuele geval gaat om de vraag of de vastgestelde beperkingen, waarmee de arbeidsdeskundige (bezwaar en beroep) bij het duiden van functies rekening moet houden, rechtens aanvaardbaar zijn.

4.7.3.

De Raad heeft over het gebruik van de Basisinformatie in dit geval geen aanleiding gezien anders te oordelen. Vastgesteld moet worden, gezien de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep verstrekte toelichting bij zijn standpunt betreffende de beoordelingspunten 1.1, 1.2, 1.4 en 1.7, zoals vermeld onder 4.6.1 tot en met 4.6.5, dat hij dat standpunt in overwegende mate baseert op de Basisinformatie en dat een voldoende en inzichtelijke op de situatie van appellant toegesneden motivering ontbreekt. De Raad acht met het rapport van de deskundigen en de nadien door de deskundigen gegeven reactie op het commentaar van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het rapport, genoegzaam vast te staan dat in het geval van appellant aanleiding bestaat om, in aanvulling op de reeds van toepassing geachte beperkingen, ook beperkingen van toepassing te achten op de beoordelingspunten 1.1, 1.2, 1.4 en 1.7.

4.8.

Uit de overwegingen 4.2 tot en met 4.7.3 volgt dat het bestreden besluit niet berust op een juiste medische grondslag. Om te kunnen komen tot definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad thans aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opdracht te geven de medische grondslag van het bestreden besluit in overeenstemming te brengen met het oordeel van de deskundigen en op basis van de aldus bijgestelde grondslag een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

4.9.

In dit oordeel ligt tevens besloten dat de Raad vooralsnog geen aanleiding heeft gezien de suggestie van de deskundigen te volgen ook nog een longarts te benoemen. De Raad heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat in de adipositas en de slaapapneu geen reden is gelegen voor een verdergaande urenbeperking dan in de FML reeds is opgenomen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.


Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en J.W. Schuttel en
J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) S. Aaliouli

NK