Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3954

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
13-2904 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WGA-uitkering en toeslag. Appellant heeft in de periode dat hij uitkering ontving inkomsten uit arbeid ontvangen en dat daarvan geen mededeling aan het Uwv gedaan zodat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2904 WIA

Datum uitspraak: 26 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

17 april 2013, 12/3425 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld. Bij brief van

11 juli 2013 heeft mr. De Kaste zich als gemachtigde onttrokken en heeft appellant de procedure zelf voortgezet.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2014. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant had met ingang van 7 april 2009 ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht op een WGA-vervolguitkering; daarvoor ontving hij een loongerelateerde WGA-uitkering. Daarnaast ontving hij een toeslag op die uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW). In het kader van een controle door de afdeling handhaving van het Uwv is gebleken dat appellant sedert 1 oktober 2008 inkomsten uit arbeid heeft genoten en die inkomsten niet bij het Uwv heeft gemeld.

1.2.

Bij afzonderlijke besluiten van 12 maart 2012 heeft het Uwv de WGA-uitkering van appellant over de periode van 1 oktober 2010 (lees: 2008) tot en met 31 december 2011 herzien en de toeslag op de WGA-uitkering met ingang van 1 januari 2009 beëindigd. De over de periode van 1 oktober 2008 tot en met 31 december 2011 onverschuldigd betaalde

WIA-uitkering en toeslag ten bedrage van € 39.166,88 heeft het Uwv van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij het bestreden besluit van 31 augustus 2012 is het bezwaar tegen de besluiten van

12 maart 2012 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen - naar aanleiding van de stelling van appellant dat in de aanhef van het primaire herzieningsbesluit wordt vermeld dat hij ingaande 1 oktober 2010 inkomen uit arbeid ontving, terwijl de herziening en de terugvordering per

1 oktober 2008 ingaan - dat hier geen sprake is van een reformatio in peius door vermelding van de datum van 1 oktober 2010 in het herzieningsbesluit. Appellant had gezien de toelichting bij dat besluit kunnen begrijpen dat het ging om een kennelijke verschrijving en bovendien is in het bestreden besluit het totale bedrag aan terugvordering gelijk gebleven. Verder is overwogen dat appellant in de periode dat hij uitkering en toeslag ontving, inkomen uit arbeid heeft ontvangen (hetgeen appellant ook zelf niet meer ontkent) en dat appellant daarvan bij het Uwv geen melding heeft gemaakt. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de inkomsten uit arbeid die hij genoot, van invloed konden zijn op de hoogte van de WIA-uitkering en de toeslag. Appellant heeft hiermee zijn inlichtingenplicht geschonden. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken van een dringende reden op grond waarvan het Uwv had moeten afzien van terugvordering. Voor zover appellant heeft aangevoerd dat de berekeningen van het Uwv van de hoogte van de terugvordering onvoldoende duidelijk zijn en bovendien niet juist, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank door overlegging van een stuk met uitleg van de berekening voldoende inzichtelijk gemaakt hoe (de hoogte van het bedrag van) de terugvordering tot stand is gekomen. Tot slot is overwogen dat het Uwv volgens vaste jurisprudentie van deze Raad uit mag gaan van de inkomsten uit arbeid zoals die door de belastingdienst zijn opgegeven, tenzij daartegenover concrete en controleerbare gegevens worden gesteld, hetgeen in dit geval niet is geschied.

3. In hoger beroep heeft appellant in essentie gelijke gronden als in bezwaar en in beroep aangevoerd. Appellant blijft van mening dat de verdiensten onjuist zijn vastgesteld en dat sprake is van reformatio in peius. Verder heeft het Uwv volgens appellant nog steeds niet aangeven waarom er nu pas een terugvordering komt en welke werkwijze er aan de controle van de uitkering ten grondslag ligt.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen worden volledig onderschreven. Dit geldt met name voor de overweging dat voldoende vaststaat dat appellant in de periode dat hij uitkering ontving inkomsten uit arbeid heeft ontvangen en dat hij daarvan geen mededeling aan het Uwv heeft gedaan zodat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.3.

De Raad stelt voorop dat het Uwv op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA en artikel 20, eerste lid, van de Toeslagenwet gehouden is de onverschuldigd betaalde uitkering en toeslag van appellant terug te vorderen.

4.4.

Met recht heeft de rechtbank overwogen dat het primaire herzieningsbesluit een kennelijke misslag bevat en dat van een reformatio in peius geen sprake is. Ook wordt de rechtbank gevolgd in de overweging dat het Uwv mocht uitgaan van de door de belastingdienst verstrekte gegevens. Informatie die aan de opgave van de belastingdienst betreffende bedoelde inkomsten doet twijfelen is ook in hoger beroep niet verstrekt.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak zijn dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien slechts gelegen in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor een betrokkene heeft. Het gaat daarbij om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Dat sprake zou zijn van een dringende reden op grond waarvan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien, heeft appellant niet met enig feitelijk gegeven onderbouwd.

4.6.

Appellant heeft gesteld dat de werkwijze van het Uwv met betrekking tot de (periodieke) controle van de uitkering niet inzichtelijk is en dat, indien de een (zeer) regelmatig en de ander alleen steekproefsgewijs wordt gecontroleerd, de laatste wordt benadeeld omdat hij dan plotseling met een hoog terug te vorderen bedrag kan worden geconfronteerd. Dit betoog

- wat daar verder van zij - faalt reeds daarom, omdat de Wet WIA en de Toeslagenwet uitgaan van een actieve informatieverplichting, waarbij de betrokkene ook uit eigen beweging mededeling dient te doen van alle feiten of omstandigheden die van invloed kunnen zijn op (de hoogte van) zijn recht op uitkering.

4.7.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014.

(getekend) J. Riphagen

(getekend) M. Crum

JvC