Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
14-3558 WMO-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kortsluiting. Verzoeker heeft onvoldoende meegewerkt aan het verkrijgen van inzicht in zijn medische situatie. Niet is komen vast te staan dat verzoeker gelet op zijn gezondheidstoestand ten tijde van belang behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van hun gezins- of privéleven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van verzoeker om wel toegelaten te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/18
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3558 WMO-VV, 14/3559 WMO

Datum uitspraak: 26 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 juni 2014, 14/2724 en 14/3344 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 24 juni 2014

Partijen:

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2014. Voor verzoeker zijn verschenen mr. Fischer en G. Werkman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.I. Algoe.

Vervolgens heeft mr. Fischer op 11 juli 2014, 14 juli 2014, 15 juli 2014, 12 augustus 2014,

13 september 2014 en 2 oktober 2014 nadere stukken ingediend en nadere reacties gegeven.

Het college heeft bij brieven van 14 juli 2014 nader gereageerd en heeft op 8 september 2014 en 6 oktober 2014 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 15 oktober 2014. Namens verzoeker is mr. Fischer verschenen. Het college heeft zich, met bericht van verhindering, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker, geboren op [datum] 1982, en afkomstig uit Somalië is in 2009 naar Nederland gekomen. Hij heeft tot 11 december 2013 een verblijfsvergunning asiel gehad, welke vergunning met ingang van die datum is verlopen. Op 15 november 2013 heeft verzoeker het college verzocht hem een inschrijfadres toe te kennen, omdat hij zonder adres zijn verblijfsvergunning niet zou kunnen laten verlengen. Ook heeft verzoeker het college verzocht om hem toe te laten tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

1.2.

Bij besluit van 21 januari 2014 heeft het college het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang ingevolge de Wmo afgewezen op de grond dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Bovendien is niet gesteld noch gebleken dat verzoeker een kwetsbaar persoon is op basis waarvan hij op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) beschermd dient te worden.

1.3.

Bij besluit van 28 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 21 januari 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - voor zover thans van belang - het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat op grond van de door verzoeker overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat de fysieke en psychische gezondheid van verzoeker substantieel wordt bedreigd indien hij verstoken blijft van (maatschappelijke) opvang. Aan de overgelegde verklaringen van de huisarts van verzoeker kan niet de betekenis worden toegekend die verzoeker hieraan wil toekennen. Voorts heeft verzoeker onvoldoende meegewerkt aan het verkrijgen van inzicht in zijn medische situatie, zodat het college niet kan worden tegengeworpen dat er onvoldoende onderzoek is verricht. Niet kan worden geconcludeerd dat de weigering van het college tot toelating van verzoeker tot de maatschappelijke opvang in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen bij die weigering en de particuliere belangen van verzoeker om wel toegelaten te worden.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval deze situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek om toelating tot de maatschappelijke opvang van verzoeker dateert van 15 november 2013, zodat onder verwijzing naar rechtsoverweging 3.2 van de uitspraak van de Raad van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1995, ter beoordeling van de aanspraken van verzoeker nog het recht van toepassing is, zoals dat voor deze uitspraak gold.

4.4.

In de aanvraag van 15 november 2013 is naar voren gebracht dat verzoeker een ontredderde maar geen zieke indruk maakt. Ook in het bezwaarschrift van verzoeker tegen het afwijzende besluit van 9 januari 2014 is geen melding gemaakt van de omstandigheid dat verzoeker ziek zou zijn. Eerst tijdens de hoorzitting op 4 maart 2014 is aangegeven dat verzoeker ziek is en dat zijn gezondheid door de situatie waarin hij zich bevindt verslechterd.

4.5.

Verzoeker heeft tijdens de hoorzitting toegezegd dat hij het college nadere informatie zal verstrekken over zijn gezondheidstoestand en dat hij zijn situatie zal laten beoordelen door de GGD. Bij brief van 4 maart 2014 heeft verzoeker aan het college bevestigd dat tijdens de hoorzitting is afgesproken dat verzoeker de vraagstelling aan de GGD zal formuleren. Verder is daarbij aangegeven dat de gezondheid van verzoeker substantieel wordt bedreigd indien hij verstoken blijft van opvang. Dokter Van Melle heeft verzoeker medicijnen ter regulering van de suikerspiegel voorgeschreven. Deze medicijnen moeten tijdens de maaltijd worden ingenomen, maar verzoeker heeft geen geld om eten te kopen. Verzoeker acht nader onderzoek door de GGD niet nodig, maar bij twijfel dient wel de juiste vraag aan de GGD te worden voorgelegd. Deze vraag is: “wordt de gezondheid van verzoeker substantieel bedreigd indien hij geen slaapplek en geen eten heeft”.

4.6.

Bij brief aan het college van 11 maart 2014 heeft verzoeker vervolgens aangegeven geen vertrouwen in de advisering van de GGD te hebben en verzocht om een andere arts een medisch oordeel te vragen. Bij brief van 15 april 2014 heeft de MO-zaak verzoeker bericht dat het college de MO-zaak heeft verzocht nader onderzoek te doen naar de vraag of er aanleiding is voor (middelen voor) onderdak op medische gronden. Daarbij heeft de MO-zaak verzoeker verzocht toestemming te verlenen medische gegevens op te vragen bij zijn huisarts of behandelend specialisten.

4.7.

Bij brief van 18 april 2014 heeft verzoeker het college meegedeeld dat hij een brief van de MO-zaak heeft ontvangen waarin wordt gevraagd een machtiging te ondertekenen tot het opvragen van medische informatie. Verzoeker heeft aangegeven: “De dokter wil vragen stellen over aandoeningen. Ik begrijp niet waarvoor dat nodig zou zijn. Ook mensen zonder aandoeningen moeten kunnen slapen en moeten eten. En daar gaat de zaak over. De aanspraak op eten, kleding en een bed, daar gaat het om. En of er een medische noodzaak is voor die basisvoorwaarde om te kunnen bestaan. Het is wel belangrijk dat aan de dokter de juiste vraag wordt gesteld. In het verleden heeft u de verkeerde vraag namelijk gesteld aan de GGD en daarom is veel verwarring ontstaan. Ik vind dit geen doen zo. Welke vraag moet de

MO- groep beantwoorden ? Waarom is de GGD niet gevraagd ? Dat was de afspraak en waarom wordt die afspraak niet nagekomen ?”

4.8.

Bij brief van 2 mei 2014 heeft de medisch adviseur van de MO-zaak A. de Wildt, arts indicatie en advies KNMG, aan het college meegedeeld dat het onderzoek niet heeft kunnen plaatsvinden, omdat geen geobjectiveerde medische gegevens over verzoeker zijn aangeleverd en verzoeker de MO-zaak niet heeft willen machtigen om medische informatie op te vragen. Op 25 april 2014 heeft de MO-zaak nogmaals - tevergeefs - verzocht het machtigingsformulier getekend retour te zenden.

4.9.

De voorzieningenrechter leidt - evenals de voorzieningenrechter van de rechtbank- uit de hiervoor onder 4.5 tot en met 4.8 weergegeven gang van zaken af dat verzoeker onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen van inzicht in zijn medische situatie. Tijdens de hoorzitting heeft verzoeker toegezegd mee te werken aan een beoordeling van zijn situatie door de GGD waarna hij nog voordat dit onderzoek heeft plaatsgevonden heeft verzocht om een medische beoordeling door een andere, niet bij de GGD werkzame, arts. Het college heeft vervolgens een medisch adviseur van De MO-zaak ingeschakeld, waarna verzoeker heeft geweigerd een machtiging voor het opvragen van medische informatie door de MO-zaak te ondertekenen. Als gevolg van deze opstelling van verzoeker is het onderzoek door de

MO-arts niet doorgezet, zodat de vraag of er op medische gronden noodzaak was verzoeker onderdak te verlenen onbeantwoord is gebleven. Dat verzoeker deze houding ten aanzien van het college heeft aangenomen omdat er naar zijn mening in verband met zijn suikerziekte met name onderzoek diende te worden verricht naar de vraag of zijn gezondheidssituatie substantieel wordt bedreigd indien hij verstoken blijft van een slaapplek en eten in plaats van de vraag of er op medische gronden een noodzaak tot onderdak was maakt dat niet anders. Dat het medisch onderzoek zich zou richten op de vraag of verzoeker gelet op zijn gezondheidssituatie was aangewezen op onderdak brengt niet mee dat in dat verband de vraag naar de modaliteiten van de hulp die het college verzoeker zou moeten bieden in het kader van de verplichting van artikel 8 van het EVRM niet aan de orde zouden kunnen komen in de beoordeling.

4.10.

De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verzoeker gelet op zijn gezondheidstoestand ten tijde van belang behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht heeft op bescherming van hun gezins- of privéleven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat de weigering van toelating tot maatschappelijke opvang in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van verzoeker om wel toegelaten te worden.

4.11.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.12.

Onder deze omstandigheden is geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) D. van Wijk

MK