Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3944

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
13-1959 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WIA-uitkering en toeslag. Mede tegen de achtergrond van de verwarring die het Uwv door middel van de brieven van 14 oktober 2011 en 24 oktober 2011 - daarin is niet vermeld welk van de besluit(en) het bewaar betrof - heeft geschapen, valt de brief van de gemachtigde van appellant van 20 oktober 2011 redelijkerwijs niet anders op te vatten dan als een voorlopig bezwaarschrift van de gemachtigde van appellant dat (mede) gericht is gericht tegen het primaire besluit van 5 oktober 2011. Dit voorlopig bezwaarschrift is op 20 oktober 2011, en derhalve binnen de wettelijke termijn van zes weken, door het Uwv ontvangen. De rechtbank heeft het vorenstaande miskend en dit betekent dat appellant bij de aangevallen uitspraak ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar tegen primair besluit van 5 oktober 2011 en het UWV terecht appellant in zijn bezwaar tegen dit besluit heeft ontvangen. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1959 WIA

Datum uitspraak: 17 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

1 maart 2013, 12/3877 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2014. Appellant en diens gemachtigde zijn - met bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.A.R. Kali.

OVERWEGINGEN

1.1

Bij besluiten van 18 november 2010 en 3 december 2010 heeft het Uwv appellant in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), onderscheidenlijk voor een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW).

1.2

Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek dat de naam [onderzoek] draagt, heeft het Uwv heronderzoek verricht naar de gezondheidstoestand van appellant. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant geen stoornis heeft in de persoonlijkheid, maar dat er wel trekken zijn van een C-cluster stoornis, die wijzen op een beperkte gewetensvorming en manipulativiteit. Gezien het ontbreken van een psychiatrisch ziektebeeld heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen sprake is van verminderde arbeidsmogelijkheden als gevolg van ziekte en/of gebrek.

1.3

In afwachting van de resultaten van het heronderzoek heeft het Uwv bij besluit van

28 september 2011 de uitbetaling van de uitkering krachtens de Wet WIA van appellant met ingang van 1 oktober 2011 geschorst. Bij besluit van 5 oktober 2011 heeft het Uwv het besluit van 18 november 2010 ingetrokken. Bij dat besluit van 5 oktober 2012 heeft het Uwv voorts vastgesteld dat appellant per 28 januari 2011 geen recht heeft op een uitkering krachtens de Wet WIA. Bij besluit van 12 oktober 2011 heeft het Uwv de eerder aan appellant toegekende toeslag per 28 januari 2011 ingetrokken. Bij een besluit dat eveneens 12 oktober 2011 is gedateerd, heeft het Uwv de over de periode van 28 januari 2011 tot en met 30 september 2011 onverschuldigd betaalde WIA-uitkering en toeslag tot een bedrag van

€ 11.916,24 van appellant teruggevorderd. Namens appellant is tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit voor zover betrekking hebbend op het besluit 5 van oktober 2011 gegrond verklaard, het bestreden besluit in zoverre vernietigd, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 oktober 2011 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en bepaald dat in zoverre zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. Het bestreden besluit voor zover dat betreft de terugvordering van hetgeen aan appellant onverschuldigd is betaald en de beëindiging van het recht op toeslag ingevolge de TW, kon de toetsing van de rechtbank doorstaan, nu door de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het besluit van 5 oktober 2011voor de rechtbank vaststond dat de uitkering over de betreffende periode onverschuldigd was betaald. In het dictum van de aangevallen uitspraak ontbreekt echter een stellige beslissing betreffende het beroep voor zover dit gericht is tegen laatstgenoemde onderdelen van het bestreden besluit.

3.1

Appellant heeft - onder handhaving van hetgeen hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht - in hoger beroep gesteld dat de rechtbank ten onrechte zijn bezwaar tegen het besluit van 5 oktober 2011 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe is aangevoerd dat het Uwv voor verwarring bij appellant heeft gezorgd door in een tijdsbestek van veertien dagen een viertal besluiten aan hem toe te zenden. Daarnaast heeft appellant gesteld zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank dat vaststaat dat appellant in de periode in geding geen recht had op een uitkering krachtens de Wet WIA en dat deze uitkering onverschuldigd is betaald. In dat verband heeft hij erop gewezen dat de rechtbank geen enkele motivering voor dit oordeel heeft gegeven.

3.2

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt op grond van het verhandelde ter zitting vast dat het besluit van

5 oktober 2011 noch aangetekend noch met bericht van ontvangst is verzonden. De Raad heeft evenwel geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat dit besluit, gericht aan het juiste adres van appellant, op een andere datum is verzonden, zodat het besluit op

5 oktober 2011 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

4.2.

De Raad stelt voorts vast dat appellant zelf schriftelijk - onder toezending van het besluit van 28 september 2011 tot schorsing van de uitbetaling van zijn WIA-uitkering - aan het Uwv heeft meegedeeld dat hij er niets van begrijpt, nu tijdens het spreekuur met de verzekeringsarts de afspraak is gemaakt dat deze arts hem zou helpen bij het starten van een eigen bedrijf. Deze brief, die 2 oktober 2011 was gedateerd, is door het Uwv ontvangen op

7 oktober 2011 en derhalve na genoemd besluit van 5 oktober 2011. Vervolgens heeft het Uwv bij brief van 14 oktober 2011 aan appellant meegedeeld dat op 7 oktober 2011 het bezwaarschrift is ontvangen en dat appellant binnen vier weken nader bericht zal krijgen over de bezwaarprocedure. Bij brief van 20 oktober 2011 heeft de gemachtigde van appellant, onder verwijzing naar voornoemde brief van 14 oktober 2011, zich als zodanig gesteld, een voorlopig bezwaarschrift ingediend en het Uwv verzocht hem een afschrift van de op de zaak betrekking hebbende stukken te doen toekomen en een termijn te stellen voor het aanvullen van de bezwaargronden. Bij brief van 24 oktober 2011 heeft het Uwv de gemachtigde van appellant in de gelegenheid gesteld de gronden van het bezwaar aan te vullen. Van deze gelegenheid heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 17 november 2011 gebruik gemaakt en daarbij gronden ingediend die voornamelijk betrekking hebben op het besluit van 5 oktober 2011.

4.3.

Naar aanleiding van de vorenstaande gang van zaken overweegt de Raad het volgende. Het Uwv heeft de brief van appellant die is ontvangen op 7 oktober 2011, uitsluitend opgevat als een bezwaarschrift gericht tegen het besluit tot schorsing van de uitbetaling van de

WIA-uitkering, hoewel het Uwv op 5 oktober 2011 eveneens een besluit had genomen en de gronden van het bezwaar in de op 7 oktober ontvangen brief zich naar hun inhoud evenzeer tegen het primair besluit van 5 oktober 2011 richten. Mede tegen de achtergrond van de verwarring die het Uwv door middel van de brieven van 14 oktober 2011 en 24 oktober 2011 - daarin is niet vermeld welk van de besluit(en) het bewaar betrof - heeft geschapen, valt de brief van de gemachtigde van appellant van 20 oktober 2011 redelijkerwijs niet anders op te vatten dan als een voorlopig bezwaarschrift van de gemachtigde van appellant dat (mede) gericht is gericht tegen het primaire besluit van 5 oktober 2011. Dit voorlopig bezwaarschrift is op 20 oktober 2011, en derhalve binnen de wettelijke termijn van zes weken, door het Uwv ontvangen. De rechtbank heeft het vorenstaande miskend en dit betekent dat appellant bij de aangevallen uitspraak ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar tegen primair besluit van 5 oktober 2011 en het UWV terecht appellant in zijn bezwaar tegen dit besluit heeft ontvangen.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Nu de rechtbank het voorliggend geschil voor zover betrekking hebbend op primair besluit 5 oktober 2011 niet inhoudelijk heeft beoordeeld en het hier een complexe besluitvorming betreft naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek [onderzoek], is de Raad van oordeel dat de zaak een nadere behandeling door de rechtbank behoeft en wijst de Raad met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant ter beslissing op het beroep van appellant. Deze vernietiging heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de intrekking van de toeslag (besluit van 12 oktober 2011) en de terugvordering van hetgeen aan appellant onverschuldigd is betaald (besluit dat ook

12 oktober 2011 is gedateerd), eveneens niet in stand kan blijven en de rechtbank ook deze beroepen nader zal moeten behandelen.

4.5.

Het Uwv zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 487, - aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 487-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 118,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2014.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) V. van Rij

QH