Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3941

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
13-1680 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat er geen grond is voor twijfel aan de zorgvuldigheid waarmee het door de verzekeringsartsen verrichte onderzoek is gedaan. Juistheid FML. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1680 WIA

Datum uitspraak: 10 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

13 februari 2013, 12/3935 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2014. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.Bij besluit van 13 juni 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 9 juli 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 9 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1

Appellant voert in hoger beroep aan dat het door de verzekeringsartsen verrichte onderzoek onzorgvuldig is. Voorts heeft appellant in hoger beroep gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Met betrekking tot de medische gronden heeft appellant de gronden van het beroepschrift in hoofdzaak herhaald. Appellant is het niet eens met de vaststelling van zijn belastbaarheid zoals deze is neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) omdat zijn rug- en beenklachten ernstiger zijn dan door de verzekeringsartsen zijn geduid en een hogere drempel voor arbeid vormen dan door de arbeidsdeskundige is ingeschat. Appellants belangrijkste bezwaar is dat zitten en staan tijdens het werk als licht beperkt wordt beoordeeld. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een gehandicaptenkaart en medische gegevens overgelegd. Verder voert appellant aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen grond voor twijfel bestaat aan de geschiktheid van de voor hem geselecteerde functies.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Voor een reactie op de door appellant in hoger beroep overgelegde stukken heeft het Uwv verwezen naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 8 augustus 2013 en

23 september 2014.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat er geen grond is voor twijfel aan de zorgvuldigheid waarmee het door de verzekeringsartsen verrichte onderzoek is gedaan. De Raad verwijst naar hetgeen de rechtbank in dit kader onder 5 heeft overwogen en maakt deze overwegingen tot de zijne. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.

4.2

Voor zover appellant in hoger beroep zich heeft beperkt tot een herhaling van de bij de rechtbank ingediende gronden van medische aard, volstaat de Raad met een verwijzing naar de overwegingen onder 6 van de aangevallen uitspraak. De Raad onderschrijft deze overwegingen. Uit de door appellant in hoger beroep overgelegde medische gegevens valt niet af te leiden dat de belastbaarheid van appellant per de thans in geding zijnde datum,

9 juli 2012, onjuist is ingeschat. Dat in de FML (meer) beperkingen aangenomen moeten worden ten aanzien van zitten en staan heeft appellant onvoldoende onderbouwd. De enkele omstandigheid dat appellant een invalidenkaart heeft, noch de doorverwijzing naar het Regionaal Reumacentrum Maxima Medisch Centrum Eindhoven ten behoeve van verder onderzoek betekenen dat appellants beperkingen per 9 juli 2012 zijn onderschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 8 augustus 2013 en

23 september 2014 terecht vermeld dat de door appellant in hoger beroep overgelegde medische informatie voor het overgrote deel bekend was en in zijn oordeel is meegenomen, en dat de toen nog niet bekende (door de behandelend neuroloog vermelde) ulnaropathie na de in deze zaak in geding zijnde datum is ontstaan en daarom geen grond kan zijn om meer of andere medische beperkingen aan te nemen. Hetzelfde geldt voor de nierklachten. Deze beroepsgrond treft derhalve evenmin doel.

4.3

De rechtbank wordt voorts gevolgd in haar oordeel dat, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde medische beperkingen, geen grond voor twijfel bestaat aan de geschiktheid van de voor appellant geselecteerde functies. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de signaleringen in deze functies deugdelijk zijn gemotiveerd. Daarbij is mede van belang dat de geselecteerde functies met name zittende werkzaamheden betreffen. Ook deze beroepsgrond slaagt derhalve niet.

4.4.

Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van J. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2014.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) J. van Ravenstein

QH