Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
12-6799 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering omdat appellant hersteld is verklaard en de wachttijd van 104 weken niet heeft vervuld. Het Uwv heeft noch bij het nemen van het besluit van 11 mei 2012, noch bij het nemen van het bestreden besluit beschikt over andere gegevens dan de hersteldverklaring met ingang van 18 maart 2010 in het kader van de ZW. Pas in hoger beroep naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft een beoordeling van het al dan niet volbrengen van de wachttijd plaatsgevonden. De beoordeling die aan het bestreden besluit vooraf is gegaan is dan ook onvolledig en daarmee onzorgvuldig geweest. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten hierom worden vernietigd. Instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6799 WIA

Datum uitspraak: 26 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Utrecht van

7 november 2012, 12/2592 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2014.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als verkoper voor 40 uur per week. Hij heeft zich op 22 oktober 2008 ziek gemeld. Zijn dienstverband is met ingang van 1 juni 2009 beëindigd. Het Uwv heeft appellant met ingang van 6 januari 2010 in het kader van de Ziektewet (ZW) geschikt geacht voor zijn arbeid. Appellant heeft zich op 25 februari 2010 opnieuw ziek gemeld bij het Uwv en bij besluit van 17 maart 2010 heeft het Uwv appellant met ingang van 18 maart 2010 geschikt geacht voor zijn arbeid. Appellant heeft tegen dit besluit bewaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van 10 mei 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld. Met ingang van 18 maart 2010 heeft appellant zich wederom ziek gemeld.

1.2.

Op 4 april 2012 heeft appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Bij besluit van 11 mei 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering omdat hij met ingang van 18 maart 2010 hersteld is verklaard en sindsdien de wachttijd van 104 weken niet heeft vervuld.

1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 22 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 mei 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is de op

25 februari 2010 aangevangen wachttijd geëindigd met de hersteldmelding per 18 maart 2010 en is er geen sprake van een nieuwe (geaccepteerde) ziekmelding met ingang van

18 maart 2010 waardoor de wachttijd wederom is aangevangen. Op grond van de brief van het Uwv van 31 mei 2010 heeft appellant er niet gerechtvaardigd op kunnen vertrouwen dat de ziekmelding per 18 maart 2010 was geaccepteerd.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij er op grond van de brief van

31 mei 2010 op mocht vertrouwen dat de ziekmelding met ingang van 18 maart 2010 was geaccepteerd. Dat het Uwv heeft nagelaten enig gevolg te geven aan de brief van 31 mei 2010 komt voor risico van het Uwv. Door deze brief en het behandeltraject bij het Nijmeegs Kenniscentrum Chronische Vermoeidheid (NKVC) heeft appellant destijds besloten om geen beroep in te stellen tegen de beslissing op bezwaar van 10 mei 2010. Het Uwv heeft verzuimd om alle stukken aan hem te verstrekken. Na eigen onderzoek acht appellant de diagnose Myalgische Encefalomyelitis (ME) op hem van toepassing. De verzekeringsarts is hieraan voorbij gegaan en heeft nagelaten om informatie op te vragen bij het NKVC.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. De hersteldmelding met ingang van 18 maart 2010 staat in rechte vast en de ziekmelding van appellant per

18 maart 2010 is niet geaccepteerd. De brief van 31 mei 2010 is slechts een bevestiging van de ziekmelding met een gestandaardiseerde tekst.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA bepaalt dat de verzekerde recht heeft op toekenning van uitkering zodra hij onafgebroken 104 weken arbeidsongeschikt is geweest en na afloop nog arbeidsongeschikt is. Uit de rechtspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0780, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3388 en ECLI:NL:CRVB:2013:1844) volgt dat de beantwoording van de vraag of de wachttijd is vervuld een zelfstandige beoordeling vereist op basis van alle beschikbare gegevens van medische en andere aard, waarbij eventuele eerdere tijdens de wachttijd plaatsgevonden hersteldverklaringen betrokken (kunnen) worden. Dit betekent dat aan de hersteldverklaring van appellant op zichzelf geen doorslaggevende betekenis moet worden toegekend.

4.2.

Het Uwv heeft noch bij het nemen van het besluit van 11 mei 2012, noch bij het nemen van het bestreden besluit beschikt over andere gegevens dan de hersteldverklaring met ingang van 18 maart 2010 in het kader van de ZW. Pas in hoger beroep naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft een beoordeling van het al dan niet volbrengen van de wachttijd plaatsgevonden. De beoordeling die aan het bestreden besluit vooraf is gegaan is dan ook onvolledig en daarmee onzorgvuldig geweest. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit moeten hierom worden vernietigd.

4.3.

Beoordeeld moet worden of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

4.4.

Het Uwv heeft in hoger beroep een verzekeringsgeneeskundig onderzoek verricht ten aanzien van de vraag of de wachttijd is vervuld. De verzekeringsarts heeft hierover in een rapport van 7 juli 2014 gemotiveerd uiteengezet dat er na 18 maart 2010 geen nieuwe eerste ziektedag is aan te wijzen waarna sprake was van een bestendige verslechtering waarmee de wachttijd zou zijn vervuld en op grond waarvan een WIA-beoordeling had moeten worden verricht. Het Uwv heeft daarmee alsnog op zorgvuldige en inzichtelijke wijze gemotiveerd dat de wachttijd in het kader van artikel 23 van de Wet WIA niet is vervuld. De andersluidende eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, opvatting van appellant met betrekking tot zijn gezondheidstoestand is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts. Ter zitting is ten slotte niet gebleken dat appellant niet alle stukken uit het dossier van het Uwv heeft ontvangen.

4.5.

De brief van 31 mei 2010 met het onderwerp: “Ontvangst- en afspraakbevestiging ziekmelding” bevat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging die bij appellant de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen wekken dat er sprake was van een doorlopende ziekteperiode. De brief bevat slechts een bevestiging van het telefonisch contact op 31 mei 2010 en de ziekmelding met ingang van 18 maart 2010. Volgens deze brief is afgesproken dat een van de medewerkers van het Uwv contact zou opnemen met appellant. Dat het Uwv dit heeft nagelaten, appellant niet is opgeroepen voor een medisch

onderzoek - wat gebruikelijk is na een ziekmelding -, hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) is blijven ontvangen en de beslissing op bezwaar van 10 mei 2010 niet is herzien door het Uwv, zijn voldoende aanwijzingen dat de ziekmelding van appellant niet was geaccepteerd. Appellant heeft hierin berust en heeft pas nadat hij een brief van het Uwv had ontvangen dat zijn WW-uitkering zou eindigen en hij bijstand kon aanvragen, op

4 april 2012 een WIA-uitkering aangevraagd.

5. De Raad ziet in hetgeen in 4.4 en 4.5 is overwogen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van

22 juni 2012 in stand te laten.

6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 487,- in beroep en op € 1.217,50 in hoger beroep, in totaal

€ 1.704,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 juni 2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.704,50;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 157,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van J. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014.

(getekend) B.M. van Dun

(getekend) J. van Ravenstein

JS