Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3935

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-11-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
13-2367 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is aangemerkt als herplaatsingskandidaat. Appellant is ontslag op eigen verzoek verleend. Appellant heeft een nieuwe baan gevonden. Afwijzing verzoek om immateriële schadevergoeding. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2015/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2367 AW

Datum uitspraak: 27 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
26 maart 2013, 12/4271 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Jaab, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. K. de Bie, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jaab. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Bie, en D.J. Wagenaar.

OVERWEGINGEN

Appellant was vanaf 15 maart 2007 werkzaam als integraal handhaver bij de gemeente Amstelveen. Nadat naar aanleiding van diverse incidenten het college op 16 februari 2012 heeft vastgesteld dat tussen appellant en zijn collega’s van het team Handhaving Buitenruimte sprake was van een structurele onverenigbaarheid van karakters, is appellant bij besluit van

14 maart 2012 vanwege deze onverenigbaarheid aangemerkt als herplaatsingskandidaat. Bij besluit van 24 april 2012 is aan appellant per 1 mei 2012 ontslag op eigen verzoek verleend. Appellant had een nieuwe baan gevonden.

2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit tot het aanmerken als herplaatsingskandidaat. Bij besluit van 16 juli 2012 (bestreden besluit 1) heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard. Nadat appellant beroep had ingesteld bij de rechtbank, heeft het college bij besluit van 24 oktober 2012 (bestreden besluit 2) het bezwaar alsnog gegrond verklaard, het besluit tot het aanmerken als herplaatsingskandidaat herroepen onder toekenning van een proceskostenvergoeding van € 874,- en het verzoek om materiële en immateriële schadevergoeding afgewezen.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 1
niet-ontvankelijk verklaard met veroordeling van het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 472,-, het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1

Op grond van artikel 6:19, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat intrekking van het bestreden besluit niet in de weg aan vernietiging van dat besluit, indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 23 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6811) kan een procesbelang niet zijn gelegen in de vergoeding van griffierecht en in de veroordeling in proceskosten in beroep, aangezien ook toepassing kan worden gegeven aan de artikelen 8:74 en 8:75 van de Awb zonder dat het beroep gegrond wordt verklaard, zoals de rechtbank wat betreft de proceskosten ook heeft gedaan.

Anders dan appellant heeft betoogd, ontbreekt ten aanzien van bestreden besluit 1 het door hem gestelde procesbelang bij vergoeding van zijn (im)materiële schade, aangezien met bestreden besluit 2 op het verzoek om deze schadevergoeding is beslist. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.2.

Appellant voert aan dat hij materiële schade, bestaande uit inkomens- en pensioenschade heeft geleden doordat hij een lager betaalde baan heeft aanvaard nadat hij door het college als herplaatsingskandidaat was aangewezen. Verder stelt appellant immateriële schade te hebben geleden die bestaat uit onbehagen en geestelijk letsel vanwege de wijze waarop hij is behandeld.

4.2.1

Met de rechtbank en anders dan appellant heeft betoogd, is de Raad van oordeel dat een causaal verband tussen de gestelde materiële schade en het besluit tot het aanmerken als herplaatsingskandidaat van 14 maart 2012 ontbreekt. Wat er ook zij van de door appellant gestelde materiële schade, deze is het gevolg van zijn eigen, in vrijheid genomen beslissing het college om ontslag te verzoeken en niet van het besluit tot het aanmerken als herplaatsingskandidaat. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij zich door dat laatste besluit gedwongen voelde een andere baan te zoeken omdat hij anders toch wel zou worden ontslagen. Dat wil echter niet zeggen dat hij niet anders kon dan zelf ontslag te nemen en een lager salaris te accepteren. Daarbij komt nog dat voor appellant als herplaatsingskandidaat in beginsel een werkgelegenheidsgarantie gold.

4.2.2.

Over de gevorderde immateriële schade is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant deze niet aannemelijk heeft gemaakt. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB: 2013:BZ2669) kan geestelijk leed als gevolg van een onrechtmatig besluit onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting van de persoon als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Daarvoor is onvoldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatig besluit. De door appellant in hoger beroep overgelegde journaalregels van zijn huisarts van 7 september 2012 en 22 maart 2013 wijzen weliswaar op het bestaan van spanningen en gevoelens van gekrenktheid door het arbeidsconflict, maar dat is onvoldoende om het bestaan van geestelijk letsel als hier bedoeld te bevestigen. De overgelegde e-mails van de bedrijfscounselor zien op de periode voor het besluit tot het aanmerken als herplaatsingskandidaat en kunnen reeds daarom geestelijk letsel evenmin bevestigen. Conclusie is dat het college de verzoeken om schadevergoeding terecht heeft afgewezen.

4.2.3.

Er is geen aanleiding een vergoeding van de eerst in beroep gevorderde werkelijke kosten van verleende rechtsbijstand toe te kennen, zoals appellant heeft betoogd. Het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) kent een limitatief stelsel van forfaitaire vergoedingen. Bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb die tot een hogere vergoeding dan de forfaitaire zouden moeten leiden, zijn door appellant niet gesteld. De enkele onrechtmatigheid van het besluit tot het aanmerken als herplaatsingskandidaat is geen bijzondere omstandigheid. Voor zover het hier bedoelde verzoek van appellant er op is gericht dat de Raad het college met toepassing van artikel 8:73 van de Awb veroordeelt tot het betalen van schadevergoeding, bestaande in proceskosten die niet met toepassing van

artikel 8:75 van de Awb kunnen worden vergoed, moet dat verzoek worden afgewezen. Aangezien artikel 8:75 van de Awb een exclusieve regeling inhoudt, is naar vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 6 oktober 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY9651 en 18 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2011:BY0520) voor een (aanvullende) vergoeding van proceskosten op grond van artikel 8:73 van de Awb geen plaats.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.N.A. Bootsma en
W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2014.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) S.W. Munneke

HD