Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3929

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
01-12-2014
Zaaknummer
13-724 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Functietypering. In de functietypering van de expert A ziet de Raad niet terug dat, zoals de korpschef heeft gesteld, die functie betrekking heeft op (concrete) opsporingsonderzoeken als geheel en dat van de functionaris wordt verwacht dat hij deze opsporingsonderzoeken in de breedte mee opzet. Met de aanvullende opsomming van vier voorbereidende en uitvoerende taken in de voor appellant gemaakte taakinventarisatie is dit meer fundamentele gebrek niet weggenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/724 AW

Datum uitspraak: 20 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

24 december 2012, 12/2215 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 17 april 2014 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2014:1299, gedaan.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de korpschef bij brief van 20 juni 2014 zijn besluit van 3 april 2012 (bestreden besluit) voorzien van een nadere motivering.

Namens appellant heeft mr. T.A. van Helvoort een zienswijze ingediend.

Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad van 9 oktober 2014. Appellant is daar verschenen, bijgestaan door mr. Van Helvoort. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y. Kuijt.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 17 april 2014 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat.

1.2.

In de tussenuitspraak heeft de Raad onder meer het volgende overwogen:

“Tussen partijen is niet in geschil dat appellant het grootste deel van de werkzaamheden die onder de functietypering van de STR vallen niet verricht. De kerntaak van de STR is het zelfstandig uitvoeren van opsporingsonderzoeken of complexe deelonderzoeken. Appellant heeft met kracht van argumenten en ondersteund door een verklaring van een collega naar voren gebracht dat de hem opgedragen werkzaamheden grotendeels liggen op het gebied van de specifieke deskundigheden waarover hij beschikt ter ondersteuning van de onderzoeken die in de eerste lijn worden verricht. Zijn werkzaamheden zijn volgens appellant daarom te scharen onder de functietypering van de expert A en niet onder die van de STR. Voor zover de korpschef hier wat tegen in heeft gebracht, is dit niet voldoende overtuigend. Daarbij wordt aangetekend dat een leidinggevende van appellant in een bericht van

30 september 2011 heeft opgemerkt dat eigenlijk niet objectief is vast te stellen op welk niveau de specialismes van appellant zich bevinden, ook omdat hij als enige binnen het korps deze specialismes heeft. Voorts is op geen enkele manier gebleken dat WD die de verklaring heeft afgegeven, onder het niveau van de expert A werkt zoals ter zitting van de zijde van de korpschef is gesuggereerd. […] Dit leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet op een deugdelijke motivering berust.”

2. In de brief van 20 juni 2014 heeft de korpschef zich onder meer op het standpunt gesteld dat de functie van expert A, anders dan de functie van senior thematische recherche (STR), niet ziet op één specifiek vakgebied, maar op het opsporingsonderzoek als geheel. Door appellant wordt ondersteuning geboden vanuit zijn specifieke vakgebied; van de expert A wordt daarentegen verwacht dat deze het opsporingsonderzoek in de breedte mee opzet. De korpschef heeft daarnaast erop gewezen dat de leidinggevende van appellant heeft bevestigd dat WD, collega van appellant, in de functie van digitaal rechercheur/expert A niet functioneert op het niveau van een expert A, maar op het niveau van een senior thematische recherche en dat hij in verband hiermee in een functioneringstraject is geplaatst. Dat appellant en WD dezelfde werkzaamheden verrichten, kan volgens de korpschef dan ook niet leiden tot de conclusie dat appellant werkzaamheden verricht op het niveau van een expert A, integendeel.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

In de functietypering van de expert A ziet de Raad niet terug dat, zoals de korpschef heeft gesteld, die functie betrekking heeft op (concrete) opsporingsonderzoeken als geheel en dat van de functionaris wordt verwacht dat hij deze opsporingsonderzoeken in de breedte mee opzet. Deze aspecten zijn juist kenmerkend voor de functie van de STR, zoals blijkt uit de functietypering van de STR, onder “hoofdbestanddeel” en “niveaubepalende elementen”.

Van de expert A wordt blijkens de functietypering daarentegen verwacht dat hij een inhoudelijke bijdrage levert door zijn verdiepte kennis op het eigen expertisegebied in te brengen in (deel)onderzoeken. De brief van 20 juni 2014 bevestigt opnieuw de indruk dat de aan appellant opgedragen werkzaamheden op dit punt meer overeenkomen met die van een expert A dan met die van een STR. Dit betekent dat de functietypering van de STR in zoverre de kern van de opgedragen werkzaamheden niet raakt en daarom niet als uitgangspunt voor de beschrijving van deze werkzaamheden had mogen dienen. Met de aanvullende opsomming van vier voorbereidende en uitvoerende taken in de voor appellant gemaakte taakinventarisatie is dit meer fundamentele gebrek niet weggenomen.

3.2.

Het betoog dat WD niet functioneert op het niveau van een expert A, maar op het niveau van een senior thematische recherche en dat in verband hiermee een functioneringstraject is ingezet kan evenmin leiden tot het ermee beoogde doel. Bij (een verzoek om) functieonderhoud, zoals hier aan de orde, gaat het om de vraag of de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van de functiebeschrijving. In dat kader is niet van betekenis de wijze van functioneren van een betrokkene, laat staan de wijze van functioneren van diens collega. Overigens heeft appellant op overtuigende wijze aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het afleggen door WD van de onder 1.2 bedoelde verklaring deze collega van appellant niet in een functioneringstraject was geplaatst. Ook overigens ontbreekt nog immer een overtuigende weerlegging van het onder 1.2 weergegeven standpunt van appellant.

3.3.

Met het vorenstaande is niet gezegd dat appellant in alle opzichten met een expert A gelijk is te stellen. Wel is gezegd dat de functietypering van de STR een kernelement van de hem opgedragen werkzaamheden niet juist weergeeft.

3.4.

Met de na de tussenuitspraak ingezonden nadere motivering is het aan het bestreden besluit klevende gebrek dus niet hersteld.

3.5.

Uit het overwogene in de tussenuitspraak, bezien in samenhang met het overwogene in deze uitspraak, volgt dat het bestreden besluit niet op een juiste grondslag berust. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

3.6.

De Raad ziet nu geen mogelijkheden meer binnen zijn bereik tot definitieve beslechting van het geschil en zal in deze einduitspraak opdracht geven om, met inachtneming van deze uitspraak en van de tussenuitspraak, een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant.

4. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in beroep en op € 1.704,50 in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.678,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 april 2012 gegrond en vernietigt dat besluit;

- draagt de korpschef op om, met inachtneming van deze uitspraak en van de tussenuitspraak,

opnieuw op het bezwaar te beslissen;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 388,- vergoedt;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 2.678,50.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Heemsbergen

HD