Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
11-2883 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een WIA-uitkering. Appellante wordt ongeschikt geacht voor haar eigen werk, maar geschikt geacht voor passende functies, waardoor haar verlies aan verdienvermogen minder dan 35% is. Niet kan worden gezegd dat de medische beoordeling door het Uwv onzorgvuldig is geweest of dat de beperkingen van appellante ten tijde hier van belang zijn onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/2883 WIA

Datum uitspraak: 12 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 april 2011, 10/2570 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013. Namens appellante is verschenen mr. drs. Bogaers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.M.J.E. Boedel.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft laatstelijk in een werkweek van 31,5 uur als onderwijsassistente gewerkt. In 2003/2004 heeft zij ongeveer een jaar verzuimd wegens vermoeidheidsklachten. In september 2005 is zij opnieuw uitgevallen met soortgelijke klachten. Zij is in 2006 en 2007 gere-integreerd in haar eigen werk, dat ze vanaf februari 2008 weer volledig is gaan uitoefenen. Appellante heeft zich met ingang van 4 september 2008 opnieuw arbeidsongeschikt gemeld vanwege vermoeidheidsklachten. Pogingen om gedeeltelijk te hervatten zijn mislukt, mede vanwege bijkomende fysieke gezondheidsproblemen.

1.2 Bij besluit van 11 februari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 4 september 2008 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij geschikt wordt geacht voor haar eigen werk. Aan dat besluit ligt een verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige beoordeling ten grondslag. De voor appellante geldende beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 10 december 2009.

1.3 Bij besluit van 15 juni 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 februari 2010 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit is gebaseerd op rapporten van een bezwaarverzekeringsarts en van een bezwaararbeidsdeskundige. De bezwaarverzekeringsarts heeft de beoordeling van de verzekeringsarts onderschreven. De bezwaararbeidsdeskundige heeft appellant ongeschikt geacht voor haar eigen werk, maar geschikt geacht voor passende functies, waardoor haar verlies aan verdienvermogen minder dan 35% is.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts appellante heeft onderzocht en informatie heeft ingewonnen bij haar psycholoog. De bezwaarverzekeringsarts is aanwezig geweest bij de hoorzitting en heeft geen aanleiding gezien af te wijken van de beoordeling door de verzekeringsarts. Volgens de rechtbank zijn de beoordelingen inzichtelijk en voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en ziet zij geen aanknopingspunten de conclusies van die artsen met betrekking tot de belastbaarheid van appellante voor onjuist te houden. Met betrekking tot de door appellante ingebrachte brieven van prof. Breukhoven van

22 maart 2010, van chiropractor Van der Veen van 24 maart 2010 en de informatie van psycholoog Doornbos heeft de rechtbank overwogen dat daaruit voor de datum in geding geen verdergaande beperkingen kunnen worden afgeleid dan vastgelegd in de FML. Naar aanleiding van het op verzoek van appellante door verzekeringsarts Teunissen uitgebrachte rapport van 11 november 2010 heeft de rechtbank overwogen dat voor de in dat rapport gestelde situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden geen medische onderbouwing is gegeven, en dat dit ook geldt voor de door Teunissen gestelde energetische, urologische, slaap- en psychische stoornissen, terwijl de genoemde moeheidsklachten in de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts zijn betrokken. De grond dat een urenbeperking moet worden aangenomen is door de rechtbank met verwijzing naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 18 mei 2010 en 22 november 2010 afgewezen, terwijl van de overige in geding gebrachte verklaringen en gegevens eveneens is geconcludeerd dat die niet tot verdergaande beperkingen aanleiding geven. Het verzoek om een deskundige in te schakelen is, nu geen reden is gezien van de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen af te wijken, afgewezen. De rechtbank heeft zich verenigd met de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige dat appellante met haar beperkingen in staat is de voor haar geduide functies te vervullen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd. Onder verwijzing naar het rapport van de ingeschakelde verzekeringsarts Teunissen en de reacties en nadere toelichtingen van deze arts, heeft zij zich op het standpunt gesteld dat aan de rapporten van Teunissen onvoldoende waarde is gehecht en dat ten onrechte is geconcludeerd dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest. Voorts is met verwijzing naar de informatie van de huisarts gewezen op de reeds langjarige bestaande psychische problemen en is een brief overgelegd van 13 januari 2012 van de behandelend psychiater, die naast de diagnose chronisch vermoeidheidssyndroom en fysieke diagnoses ook heeft gesteld dat sprake is van een angststoornis NAO en hypochondrie. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geen waarde gehecht aan de vele ingebrachte verklaringen uit de werk- en sociale omgeving van appellante die bevestigen dat zij niet in staat is te werken. Appellante meent dat de rechtbank een deskundige had moeten inschakelen en heeft de Raad verzocht dat alsnog te doen.

3.2.

Het Uwv heeft in hoger beroep verwezen naar het door de (bezwaar)verzekeringsartsen verrichte onderzoek en daarbij betrokken informatie. Het Uwv heeft het bestaan van de chronische vermoeidheidsklachten en lichamelijke klachten erkend en de daaruit voortvloeiende beperkingen vastgelegd in de FML van 10 december 2009. Het Uwv heeft benadrukt dat Teunissen appellante na de datum in geding heeft gezien en dat er gelet op de onderzoeksbevindingen van het Uwv met inachtneming van de afwisselende werk- en ziekteperiodes van appellante geen aanleiding is de door Teunissen gestelde volledige arbeidsongeschiktheid op basis van zijn onderzoek te volgen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het oordeel van de rechtbank wordt onderschreven dat niet kan worden gezegd dat de medische beoordeling door het Uwv onzorgvuldig is geweest of dat de beperkingen van appellante ten tijde hier van belang zijn onderschat.

4.1.1.

Niet in discussie is dat appellante reeds lange tijd vermoeidheidsklachten heeft, dat zij naar aanleiding van die klachten verschillende keren is uitgevallen, en dat zij voor haar eigen werk als onderwijsassistente, gelet op haar beperkingen, niet langer geschikt is. Het op basis van de rapportering door Teunissen ingenomen standpunt dat appellante niet in staat is om in de geduide functies volledig te werken vindt onvoldoende grond in de voorhanden medische gegevens. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de eerdere onderzoeken om te beoordelen of er fysieke aandoeningen of belemmeringen aan haar vermoeidheid ten grondslag liggen geen voldoende verklaring hebben opgeleverd en geen aanleiding geven voor een urenbeperking. Ook uit de bekend geworden psychische gegevens van de - sedert juni 2010 - behandelend psychiater en Gz-psycholoog uit 2012 kan niet worden afgeleid dat appellante op de datum in geding niet dan wel slechts met een urenbeperking tot arbeid in staat was.

4.1.2.

De in hoger beroep naar voren gebrachte grond dat het Uwv niet overeenkomstig het Schattingsbesluit de arbeidsongeschiktheid van appellante heeft beoordeeld omdat

- samengevat - onvoldoende uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat de claimklachten van appellante voldoende zijn beoordeeld, wordt niet gedeeld. Zoals het Uwv in het verweerschrift en de bezwaarverzekeringsarts op 23 april 2012 nader met juistheid hebben toegelicht, zijn bij het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts op

18 november 2009 en 18 mei 2010 de verschillende klachten in ogenschouw genomen, is informatie ingewonnen bij de behandelend psycholoog en is op basis daarvan een beoordeling van de arbeidsbeperkingen gedaan. Weliswaar zijn nadien aanvullende gegevens ingebracht maar daaruit vloeit, mede gelet op de inhoud van die informatie, niet voort dat de medische beoordeling niet overeenkomstig de eisen van het Schattingsbesluit heeft plaatsgevonden.

4.1.3.

De grond dat de rechtbank te weinig rekening heeft gehouden met de informatie van collega’s, familie en vrienden slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2009:BI3391) is van arbeidsongeschiktheid slechts sprake als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. In het licht van dat criterium kan aan de ingebrachte verklaringen niet de betekenis worden toegekend die appellante daaraan gehecht wenst te zien.

4.2.

Gelet op hetgeen in 4.1. tot en met 4.1.3 is overwogen, wordt geen aanleiding gezien een onafhankelijk deskundige te benoemen.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente moet daarom worden afgewezen. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) S. Aaliouli

QH