Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
01-12-2014
Zaaknummer
13-2517 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geschikt voor eigen werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2517 WIA

Datum uitspraak: 26 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

3 april 2013, 12/11009 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2014. Appellante is verschenen met bijstand van mr. J.M. Breevoort. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 25 juni 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 16 mei 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan. Als weigeringsgrond in dat besluit is uitsluitend vermeld dat appellante het werk dat zij deed, voordat zij ziek werd, weer kan doen. Daaraan is in dit besluit nog toegevoegd: ”Bij uw werkgever of, als u niet meer bij u werkgever aan de slag kunt, bij een andere werkgever.” Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 9 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. In dat besluit is het volgende vermeld: “De AD B&B heeft onderzoek gedaan naar uw eigen werk en heeft de geduide functies beoordeeld. Hij komt tot de conclusie dat u geschikt bent voor uw eigen werk. Ook vindt hij dat u de voorbeeldfuncties wel kan uitoefenen.”

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige terecht heeft geconcludeerd dat appellante in staat moet worden geacht haar eigen werk te verrichten en dat appellante tevens in staat moet worden geacht om de door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te verrichten.

3.1

Appellante heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar en handhaving van haar standpunt zoals weergegeven in haar bezwaar- en beroepschrift, gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Volgens haar is in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onvoldoende rekening gehouden met haar medische beperkingen en is een aantal functies te belastend voor haar. De rechtbank heeft volgens appellante ten onrechte geen onderzoek door een medisch deskundige laten verrichten.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Voor zover de hoger beroepsgronden betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van de onderhavige besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 oktober 2012. Het rapport bevat een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaren die betrekking hebben op appellantes fysieke gezondheidstoestand, tegen het besluit van 25 juni 2012. De primaire verzekeringsarts heeft bij het opstellen van de FML rekening gehouden met de objectiveerbare beperkingen. In de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geaccordeerde FML zijn in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren beperkingen voor het verrichten van arbeid opgenomen met betrekking tot onder meer omgaan met conflicten. Daarbij is opgenomen dat appellante is aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen, op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. Tevens zijn beperkingen in de rubrieken dynamische handelingen en statische houdingen opgenomen die betrekking hebben op appellantes fysieke beperkingen voor het verrichten van arbeid. Tegenover het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert, heeft appellante geen onderbouwd medisch oordeel gesteld dat doet twijfelen aan de juistheid van dat standpunt van het Uwv. Uit het voorgaande volgt dat de Raad geen aanleiding ziet om een deskundige te benoemen, zoals door appellante is verzocht.

4.2.

Ten aanzien van de geschiktheid voor de laatstelijk uitgeoefende arbeid heeft het Uwv desgevraagd ter zitting toegelicht dat appellante weliswaar beperkt is ten aanzien van het omgaan met conflicten, maar dat in die functie geen sprake is van een beoordelingspunt omgaan met conflicten, omdat dit geen onderdeel van die functie uitmaakt. Dat appellante is uitgevallen met hartritmestoornissen naar aanleiding van een conflict op het werk maakt dit volgens het Uwv niet anders. Voorts is ter zitting door het Uwv toegelicht dat de arbeidsdeskundige in het rapport van 5 juni 2012 weliswaar heeft vermeld dat appellante heeft gewerkt in een min of meer beschermde werkomgeving, maar dat zij niet in een

WSW-dienstverband heeft gewerkt. Er was wel sprake van gesubsidieerde arbeid.

4.3.

Geschiktheid voor de laatstelijk uitgeoefende arbeid rechtvaardigt in beginsel de vooronderstelling dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid, tenzij hervatting in de oude functie niet meer mogelijk is en zich in het concrete geval bijzonderheden voordoen die de juistheid van die vooronderstelling aantasten dat die functie met eenzelfde belasting en beloning in voldoende mate op de arbeidsmarkt voorkomt. Nu uit de gedingstukken en in het bijzonder de daaruit blijkende visie van de bedrijfsarts blijkt dat het niet mogelijk was dat appellante haar eigen werk zou hervatten en dat het werk bovendien een beschermd karakter had, had het Uwv dienen te onderzoeken of een vergelijkbare functie elders beschikbaar was. Ook uit de toelichting van het Uwv ter zitting is niet duidelijk geworden of dit het geval was. Dat appellante niet arbeidsongeschikt is, omdat zij geschikt zou zijn voor de laatstelijk uitgeoefende arbeid ontbeert derhalve een deugdelijke onderbouwing.

4.4.

Het Uwv heeft tevens de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald met behulp van door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. In het rapport van 6 november 2012 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is beargumenteerd dat appellante werkzaamheden kan verrichten verbonden aan functies waarin de belasting in overeenstemming is met haar verzekeringsgeneeskundig vastgestelde mogelijkheden en beperkingen. Ter zitting is door het Uwv desgevraagd alsnog een toelichting gegeven ten aanzien van het beoordelingspunt “4.20 trappenlopen” in de functies wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC-code 267050, functienummer 3697.0000.001) en inpakster koekjes (SBC-code 111190, functienummer 2084.0097.010). In overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat alsnog heeft plaatsgevonden, zijn deze functies akkoord bevonden gezien de lage frequentie, waardoor het totaal van het trappenlopen ruimschoots binnen de belastbaarheid blijft. Hiermee is voldoende toegelicht dat deze functies in medisch opzicht geschikt waren voor appellante.

4.5.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4, heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit terecht, maar op niet geheel juiste gronden ongegrond verklaard en moet deze uitspraak derhalve met verbetering van de gronden worden bevestigd. Voor vergoeding van schade is derhalve geen aanleiding.

5. Gelet op de omstandigheid dat pas in hoger beroep een volledige en inzichtelijke arbeidskundige onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit, is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 974,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 974,-, in totaal € 1948,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1948,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) V. van Rij

JvC