Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3910

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
01-12-2014
Zaaknummer
12-3976 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad is van oordeel dat het Uwv heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in de rapporten van 23 juni, 5 en 22 september 2014 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat geen sprake is van een wijziging van de belastbaarheid van appellante. De Raad ziet in de door appellante ingebrachte gegevens, en gelet op de afdoende gemotiveerde reacties door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op die gegevens, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van toename van de beperkingen ten opzichte van het toestandsbeeld van appellante zoals neergelegd in de FML die aan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 15 juni 2003 ten grondslag lag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3976 WAO

Datum uitspraak: 26 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 juni 2012, 11/3883 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C. Scheepers, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Na een tussenuitspraak van 4 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1878, heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 juni 2014 naar de Raad gezonden.

Appellante heeft haar zienswijze naar voren gebracht en nadere stukken ingebracht.

Het Uwv heeft op 5 en 22 september 2014 nadere rapporten naar de Raad gezonden.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak van 4 juni 2014 voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. In zijn tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv heeft nagelaten te onderzoeken of tussen de datum van effectuering van de intrekking (15 juni 2003) en de bij de melding van de toegenomen arbeidsongeschiktheid in aanmerking te nemen datum (19 mei 2004) sprake is van toegenomen beperkingen op grond van de psychische klachten. In verband met een schildklierontsteking heeft het Uwv met ingang van september 2002 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante verhoogd naar 80 tot 100%. Het Uwv heeft ten onrechte nagelaten te onderzoeken of in 2004 sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid als gevolg van de schildklieraandoening. De Raad heeft het UWV opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2.1.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op

23 juni 2014 een nader rapport uitgebracht. In dit rapport komt hij tot de conclusie dat er geen medische gronden zijn voor toegenomen arbeidsongeschiktheid in de periode 14 juni 2003 tot 19 mei 2004. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de behandelend psychiater niet heeft vermeld sinds wanneer de klachten van appellante zouden zijn toegenomen, noch wat de aard, duur en intensiteit van de klachten zijn. Verder is uit het huisartsjournaal nergens te verifiëren dat appellante in de periode 14 juni 2003 tot juli 2004 toegenomen psychische klachten dan wel toegenomen schildklierproblemen had. De internist meldt schildklierontstekingen in 2003 en 2004, met een wisselende schildklierfunctie. Nadere gegevens en data staan niet vermeld. Op basis van de beschikbare medische gegevens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat er onvoldoende onderbouwing is om met terugwerkende kracht een periode van vier weken aaneengesloten toegenomen beperkingen voor arbeid vast te stellen.

2.2.

Appellante heeft in een reactie gesteld dat van een deugdelijk medisch onderzoek geen sprake is geweest. Zij heeft een brief overgelegd van internist-endocrinoloog

dr. H.J.L.M. Timmers van 13 augustus 2014, waarin dr. Timmers schrijft dat er ten tijde van de schildklierontstekingen vanaf 2004 klachten van extreme vermoeidheid waren, waarbij appellante soms de trap niet op kon komen. Met het ernstig invaliderende karakter van de klachten doelt de internist op het niet normaal in staat zijn tot het uitvoeren van huishoudelijke taken. De klachten zijn in wisselende mate aanwezig geweest tussen 2002 en 2010.

2.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een nader rapport van 5 september 2014 vastgesteld dat nadere gegevens over tijdsperioden van de actieve thryreoïditis ontbreken. Een periode van vier weken aaneengesloten toegenomen arbeidsongeschiktheid valt op basis van de informatie van de internist niet vast te stellen.

2.4.

Vervolgens heeft appellante nadere brieven ingebracht van internist dr. J.W.M. Lenders van 11 april 2003, van internist dr. J. Deinum van 17 mei 2004, van internist dr. C.T. Postma van 14 september 2004 en van internist-endocrinoloog dr. G.F.F.M. Pieters van

21 januari 2005.

2.5.

In een nader rapport van 22 september 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de ingebrachte medische gegevens van de internisten. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellante bij een actieve thryreoïditis verminderde benutbare mogelijkheden zal hebben gehad. Uit de overgelegde brieven blijkt evenwel dat de thryreoïditis niet zo ernstig was dat de verzekeringsarts achteraf en op een betrouwbare peildatum kan concluderen tot een medische verifieerbare situatie van geen benutbare arbeidsmogelijkheden. In 2003 werd appellante terugverwezen naar de huisarts en op

26 februari 2004 zag de internist geen noodzaak voor een I-131 behandeling noch voor Strumazol. Appellante werd ingesteld met propranolol en later thyrax hetgeen resulteerde in een subklinische wat trager werkende schildklier. De aangeleverde brieven leveren onvoldoende informatie om op data in het verleden een passende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op te stellen die vier aaneengesloten weken geldig zou zijn geweest.

3.1.

De Raad is van oordeel dat het Uwv heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is in de rapporten van 23 juni,

5 en 22 september 2014 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat geen sprake is van een wijziging van de belastbaarheid van appellante. De Raad ziet in de door appellante ingebrachte gegevens, en gelet op de afdoende gemotiveerde reacties door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op die gegevens, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van toename van de beperkingen ten opzichte van het toestandsbeeld van appellante zoals neergelegd in de FML die aan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per

15 juni 2003 ten grondslag lag. Met betrekking tot de psychische klachten kan de Raad zich vinden in hetgeen daarover door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gesteld, hetgeen er op neer komt dat uit de informatie van de behandelend psychiater en van de huisarts niet kan worden afgeleid wanneer de klachten van appellante zouden zijn toegenomen, noch wat de aard, duur en intensiteit van de klachten zou zijn. Ten aanzien van de ingebrachte brieven van de internisten onderschrijft de Raad het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingenomen standpunt dat de aangeleverde brieven onvoldoende informatie leveren om met betrekking tot de schildklieraandoening op bepaalde data in het verleden een passende FML op te stellen die vier aaneengesloten weken geldig zou zijn geweest.

3.2.

Uit hetgeen is overwogen onder 3.1, bezien in samenhang met de overwegingen in de tussenuitspraak, volgt dat pas in hoger beroep voldoende inzichtelijk is gemotiveerd dat noch ten aanzien van de psychische klachten noch ten aanzien van de schildklieraandoening sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid gedurende vier weken na 19 mei 2004. De Raad zal daarom de aangevallen uitspraak vernietigen. Het beroep tegen het besluit van

12 augustus 2011 is gegrond, dat besluit zal de Raad tevens vernietigen, maar de Raad zal bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand dienen te blijven.

4. Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten begroot op € 974,- in bezwaar (2 punten), € 974,- in beroep (2 punten) en € 1.217,50 in hoger beroep (2,5 punt), in totaal € 3.165,50.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een

bedrag van € 3.165,50;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) H.J. Dekker

MK