Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3899

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
26-11-2014
Zaaknummer
13-3494 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3494 WWB

Datum uitspraak: 25 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2013, 12/5206 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 25 juli 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Bij brief van 30 juli 2012 heeft hij deze aanvraag nader onderbouwd.

1.2.

Bij besluit van 6 september 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 oktober 2012 (bestreden besluit), heeft het college aan appellant met ingang van 29 juni 2012 bijstand toegekend. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat eerst op

25 juli 2012 de aanvraag van appellant van 29 juni 2012 is ingenomen en dat een eerdere aanvraag niet tot stand is gekomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de van toepassing zijnde bepalingen wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.2.

In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag van de melding om bijstand aan te vragen, tenzij op die dag nog geen recht op bijstand bestaat. Het tweede lid bepaalt voorts wanneer van een melding kan worden gesproken, terwijl het derde lid de mogelijkheid biedt om bij verwijtbaar latere indiening van de aanvraag de aanvraagdatum als ingangsdatum te nemen om te voorkomen dat er teveel tijd verstrijkt tussen de melding en de aanvraag.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.3.

Voor de stelling van appellant dat hij al in april 2012 telefonisch informatie heeft opgevraagd bij het UWV en dat hij op 16 april 2012 contact heeft opgenomen met de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) om een aanvraag in te dienen, zijn in de gedingstukken geen concrete en objectieve aanwijzingen te vinden. Daarbij komt nog dat hij in zijn brief van 30 juli 2012 niet heeft aangegeven dat hij zich al eerder had gemeld voor het doen van een aanvraag.

4.4.

Appellant heeft subsidiair aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. In dit verband heeft hij aangevoerd dat hij zich eerst op 29 juni 2012 heeft gemeld omdat zijn huurovereenkomst lang op zich liet wachten, dat hij ten tijde hier van belang verstoken was van goede begeleiding en dat hij niet in staat was aan zijn administratieve verplichtingen te voldoen. Hij heeft voorts gesteld dat hij manisch depressief was. Deze gronden slagen niet. Dat appellant in de, overigens onjuiste, veronderstelling verkeerde dat hij zijn huurovereenkomst moest afwachten voordat hij een aanvraag kon indienen, kan hem niet baten. Appellant had hierover bij DWI navraag kunnen doen. Voorts is niet gebleken dat hij niet in staat was om aan zijn administratieve verplichtingen te voldoen, al dan niet om gezondheidsredenen, dan wel omdat hij onvoldoende begeleiding had.

De door hem naar voren gebrachte klachten zien niet op de hier te beoordelen periode. Voorst is zijn stelling niet onderbouwd met objectieve gegevens.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) T.A. Meijering

HD