Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13-4923 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand omdat betrokkene vanaf 15 maart 2011 niet meer woonachtig is in de gemeente [plaatsnaam] zodat jegens het college geen recht bestaat op bijstand, dat contant geld en sieraden in een kluis op het uitkeringsadres zijn aangetroffen en dat betrokkene gemachtigd was op een tweetal rekeningen van haar zoon. Zij heeft dit alles niet gemeld bij het college, zodat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het komt de Raad onder de gegeven omstandigheden juist voor dat het college bevoegd wordt geacht de bijstand van betrokkene in te trekken over een periode waarin bijstand is verleend, terug te rekenen vanaf 15 maart 2011, gerelateerd aan het bedrag van € 26.100,- minus het bedrag van het voor betrokkene op 15 maart 2011 (nog) geldende vrij te laten vermogen. Dit betekent vervolgens dat de terugvordering beperkt dient te blijven tot een bedrag van € 26.100,- minus het bedrag van het voor betrokkene op 15 maart 2011 (nog) geldende vrij te laten vermogen.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 17
Participatiewet 31
Participatiewet 34
Participatiewet 54
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4923 WWB, 13/4941 WWB

Datum uitspraak: 25 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 5 maart 2013, 12/5205 (aangevallen tussenuitspraak), en de einduitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 juli 2013, 12/5205 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft eveneens hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2014, waar betrokkene, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg. Het college heeft zich, eveneens daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door R.A.H. Gossink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene heeft sinds 12 juni 1992 bijstand ontvangen naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) op het adres [uitkeringsadres] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres). Naar aanleiding van een tweetal meldingen dat betrokkene samenwoont met haar vriend [naam vriend] ([naam vriend]) in [woonplaats], dat zij ook veel verblijft op een camping en dat zij haar eigen woning ter beschikking heeft gesteld aan haar zoon en diens vriendin, heeft de Sociale Recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan betrokkene verleende bijstand. Daartoe heeft de sociale recherche dossieronderzoek gedaan, verbruiksgegevens bij waterbedrijf Vitens opgevraagd, waarnemingen gedaan, getuigen gehoord, betrokkene en

[naam vriend] op 15 maart 2011 verhoord en aansluitend een huisbezoek aan het uitkeringsadres afgelegd. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een definitief rapport van 25 mei 2011.

1.2.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 9 juni 2011 de bijstand met ingang van 12 juni 1992 in te trekken en de kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 28 februari 2011 tot een bedrag van

€ 176.357,10 van betrokkene terug te vorderen.

1.3.

Bij besluit van 1 februari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 juni 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat betrokkene vanaf 15 maart 2011 niet meer woonachtig is in de gemeente [plaatsnaam] zodat jegens het college geen recht bestaat op bijstand, dat contant geld en sieraden in een kluis op het uitkeringsadres zijn aangetroffen en dat betrokkene gemachtigd was op een tweetal rekeningen van haar zoon. Zij heeft dit alles niet gemeld bij het college, zodat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het college bevoegd was de bijstand van betrokkene over de periode van 15 maart 2011 tot en met 9 juni 2011 in te trekken omdat betrokkene vanaf 15 maart 2011 niet meer in [plaatsnaam] woont. De rechtbank heeft geoordeeld dat ten aanzien van het op het uitkeringsadres aangetroffen geld, gelet op vaste rechtspraak, de veronderstelling gerechtvaardigd is dat dit bedrag een bestanddeel vormt van het vermogen van betrokkene, waarover zij daadwerkelijk beschikte of redelijkerwijs kon beschikken. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat het geld niet van haar was. Dit bedrag overschreed de voor haar geldende vermogensgrens. Daarom bestond over de gehele periode geen recht op bijstand. Ten aanzien van de terugvordering heeft de rechtbank evenwel overwogen dat deze onevenredig is in verhouding tot het doel ervan, namelijk het ongedaan maken van de financiële gevolgen van schending van de inlichtingenverplichting. Aangezien het college niet heeft onderzocht over welke periode betrokkene met het aangetroffen bedrag in haar levensonderhoud had kunnen voorzien, heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door een nieuwe berekening te maken van het bedrag dat van betrokkene wordt teruggevorderd.

2.2.

Op 2 april 2013 heeft het college gereageerd op de tussenuitspraak van de rechtbank en te kennen gegeven dat het geen gebruik zal maken van de mogelijkheid om de hoogte van de terugvordering opnieuw te berekenen. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat aannemelijk is dat naast de aangetroffen contanten in de kluis van betrokkene mogelijk veel meer contanten aanwezig zijn geweest en dat het vermogensverloop niet valt vast te stellen, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college wijst daartoe op bankafschriften van de ouders van betrokkene, waarvan een aantal bedragen zijn overgeschreven naar “[Betrokkene]”, de ontvangen schenkingen van de moeder van betrokkene ten behoeve van de verbouwing van de keuken in de woning van [naam vriend] en ten behoeve van de aanleg van rolluiken in diens woning, de inwoning van de zoon van betrokkene op het uitkeringsadres, zodat kosten van levensonderhoud konden worden gedeeld, alsmede op onduidelijkheid over de afwikkeling van de nalatenschap van wijlen haar voormalige levenspartner, [naam A.] en van de nalatenschap van de aangenomen broer van betrokkene.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

3. Partijen hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

3.1.

Het college heeft zich onder verwijzing naar zijn reactie op de aangevallen tussenuitspraak zoals verwoord onder 2.2 op het standpunt gesteld dat als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de periode van

12 juni 1992 tot 15 maart 2011 niet is vast te stellen. Dit betekent dat het college ook bevoegd was over te gaan tot terugvordering van de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 176.357,10.

3.2.

Betrokkene heeft aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting in de periode van

12 juni 1992 tot 15 maart 2011 niet heeft geschonden, omdat het aangetroffen geld niet van haar is maar van haar moeder en haar zoon. Verder hoefde betrokkene, die verder geen vermogen heeft, niet te weten dat zij de machtiging op de rekeningen van haar zoon moest melden. Zij heeft nooit over deze rekeningen en het geld beschikt. Bovendien heeft betrokkene tijdens de hoorzitting ter behandeling van het bezwaar nog gevraagd welke gegevens het college nog nodig heeft. Daarop heeft het college niet meer gereageerd. Betrokkene is van oordeel dat geen enkele grond bestaat voor terugvordering. Subsidiair stelt betrokkene zich op het standpunt dat het recht op bijstand met de thans voorhanden gegevens kan worden vastgesteld. Ter zitting heeft betrokkene ten slotte nog aangevoerd dat het huisbezoek op 15 maart 2011 tot doel had de feitelijke woon- en leefsituatie van betrokkene te controleren en niet of vermogen in de woning aanwezig is. De toestemming van betrokkene voor het binnentreden van de woning berust dus niet op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek, zodat niet is voldaan aan de eis van informed consent. De bevindingen van het huisbezoek dienen bij de beoordeling buiten beschouwing te worden gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is nog in geschil de periode van 12 juni 1992 tot 15 maart 2011.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Op 15 maart 2011 hebben sociaal rechercheurs een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Tussen partijen is niet in geschil dat de daartoe door betrokkene gegeven toestemming vrijwillig was en dat zij het formulier ‘informed consent’ heeft getekend. In dit formulier staat dat betrokkene vóór binnentreding volledig en duidelijk op de hoogte is gebracht van het feit dat het huisbezoek plaatsvindt om de woon- en leefsituatie te controleren, voor vermogensvaststelling en/of de beoordeling van bijzondere bijstand, en dat van betrokkene een verklaring zal worden gevraagd over de woon- en leefsituatie en over de aanwezige vermogensbestanddelen. Tijdens het huisbezoek werd in de woning van betrokkene in een inloopkast een kluis aangetroffen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van het huisbezoek blijkt dat de sociaal rechercheurs betrokkene om toestemming hebben gevraagd om de inhoud van de kluis te bekijken. Gelet op de vondst van de kluis, wat een vermoeden van aanwezigheid van vermogen oplevert, was het gerechtvaardigd om van betrokkene medewerking te verlangen de kluis te openen en appellante heeft daaraan ook daadwerkelijk gevolg gegeven. Gelet op het door betrokkene ondertekende formulier ‘informed consent’ strekte de door haar gegeven toestemming ook tot het onderzoek van de kluis. Anders dan betrokkene meent, bestaat daarom geen aanleiding de resultaten van het huisbezoek buiten beschouwing te laten.

4.4.

In hoger beroep heeft het college een aantal, niet in het bestreden besluit opgenomen, omstandigheden genoemd waaruit volgens het college voortvloeit dat het recht op bijstand van betrokkene niet kan worden vastgesteld als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting. Uitgangspunt bij de beoordeling moet evenwel zijn de feitelijke grondslag van het bestreden besluit. Aan het bestreden besluit is, kortweg, ten grondslag gelegd dat betrokkene de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden ten aanzien van het contante geld in de kluis, de sieraden, het gemachtigd zijn op de rekeningen van de zoon, de inwoning van haar zoon op het uitkeringsadres en de erfenis van [naam A.]. De beoordeling beperkt zich dan ook tot de vragen of betrokkene op deze punten haar inlichtingenverplichting heeft geschonden en in hoeverre haar recht op bijstand dientengevolge niet langer is vast te stellen. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

4.5.

Indien een betrokkene in het bezit is van een bedrag aan contanten is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat dit bedrag een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Betrokkene is daarin niet geslaagd. Zij heeft weliswaar aangevoerd dat niet al het geld in de kluis van haar was en dat zij dit voor haar moeder en haar broer bewaarde, maar zij heeft dit niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Het enkele feit dat sommige bedragen bewaard waren in enveloppen met hun naam erop, is onvoldoende om op grond daarvan aan te nemen dat betrokkene niet over die gelden kon beschikken. Dit betekent dat het in de kluis aangetroffen bedrag van € 26.100,- tot haar vermogen moet worden gerekend. Betrokkene heeft hiervan geen melding gemaakt aan het college, zodat zij de inlichtingenverplichting op dit punt heeft geschonden.

4.6.

Betrokkene heeft betoogd dat volgens juweliers de waarde van de aangetroffen sieraden zeer gering is. Het college heeft hiertegenover niets ingebracht. Met betrekking tot de machtigingen op de rekeningen van de zoon heeft het college erkend dat betrokkene van die rekeningen geen gebruik heeft gemaakt. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 19 november 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2486), kan in een dergelijk geval niet zonder meer worden aangenomen dat betrokkene daadwerkelijk heeft kunnen beschikken over het vermogen van die rekeningen. Ten aanzien van de erfenis van [naam A.] is het volgende van belang. [naam A.] is in 2008 overleden. Uit de gedingstukken blijkt op generlei wijze dat betrokkene, los van de sieraden, over vermogen uit een erfenis van [naam A.] heeft beschikt. Dit leidt tot de conclusie dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de omstandigheden rondom de sieraden, de bankrekeningen van de zoon en de erfenis van

[naam A.] van belang zijn geweest voor het recht op bijstand van betrokkene. Daarom kan niet worden geoordeeld dat betrokkene van deze omstandigheden in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het college slechts aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene haar inlichtingenverplichting heeft geschonden voor zover zij geen melding heeft gemaakt van het aangetroffen contante bedrag in haar kluis. Dit betekent dat slechts tot intrekking van de bijstand van betrokkene kan worden overgegaan voor zover ten gevolge hiervan het recht van betrokkene niet kan worden vastgesteld. Het college heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaraan concrete aanwijzingen kunnen worden ontleend voor de conclusie dat betrokkene, buiten de in de kluis aangetroffen gelden, nog over ander niet aan het college gemeld vermogen kon beschikken. Hieruit volgt dat een bedrag van € 26.100,- tot het vermogen van betrokkene moet worden gerekend. Er zijn geen concrete aanwijzingen voor een vermogensverloop, waaruit meer vermogen is voortgevloeid. Dit bedrag van

€ 26.100,- overschrijdt de voor betrokkene geldende grens van het vrij te laten vermogen. De vervolgens aan de orde zijnde vraag is aan welke periode dit bedrag moet worden toegerekend. De Raad volgt het college niet in zijn standpunt dat de aanwezigheid op

11 maart 2011 van het hiervoor genoemde bedrag in de kluis rechtvaardigt dat de bijstand over de gehele in geding zijnde periode, dat wil zeggen al vanaf 12 juni 1992, wordt ingetrokken. Het komt de Raad onder de gegeven omstandigheden juist voor dat het college bevoegd wordt geacht de bijstand van betrokkene in te trekken over een periode waarin bijstand is verleend, terug te rekenen vanaf 15 maart 2011, gerelateerd aan het bedrag van

€ 26.100,- minus het bedrag van het voor betrokkene op 15 maart 2011 (nog) geldende vrij te laten vermogen. Dit betekent vervolgens dat de terugvordering beperkt dient te blijven tot een bedrag van € 26.100,- minus het bedrag van het voor betrokkene op 15 maart 2011 (nog) geldende vrij te laten vermogen.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van het college niet slaagt en dat het hoger beroep van betrokkene gericht tegen de intrekking en de terugvordering ten dele slaagt.

4.9.

Omwille van de duidelijkheid zal de Raad de aangevallen tussenuitspraak geheel vernietigen en de aangevallen einduitspraak vernietigen behoudens de bepalingen over proceskosten en griffierecht. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en dat besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het college zal een nieuw besluit op het bezwaar dienen te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. Nu het hier nog slechts gaat om een uitwerking van wat in het slot van 4.7 is overwogen, ziet de Raad af van toepassing van artikel 8:51a van de Awb (de bestuurlijke lus).

5. De Raad ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 1.461,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen tussenuitspraak en de aangevallen einduitspraak met uitzondering

van de bepalingen over proceskosten en griffierecht;

- verklaart het beroep van betrokkene gegrond;

- vernietigt het besluit van 1 februari 2012;

- draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag

van € 1.461,-;

- bepaalt dat het college aan betrokkene het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,-

vergoedt;

- bepaalt dat van het college een griffierecht wordt geheven van € 478,-.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en M. Hillen en C. H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2014.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) C. Moustaïne

HD