Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
13-4497 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft niet de nodige duidelijkheid verschaft en heeft geen volledige openheid van zaken gegeven ten aanzien van zijn woonsituatie. Daarmee is hij tekort geschoten in de op hem rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag om bijstand dan ook terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4497 WWB

Datum uitspraak: 25 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 juli 2013, 12/4782 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 14 oktober 2014. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 19 maart 2012 gemeld om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aan te vragen. Hij heeft als woonadres opgegeven de [adres]

[adres]. Hij staat sinds 23 april 2012 op dit adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

1.2.

Naar aanleiding van een gesprek dat in het kader van de door appellant gedane aanvraag op 26 april 2012 heeft plaatsgevonden, zijn bij het college twijfels ontstaan of appellant wel woonde op het door hem opgegeven adres. Appellant heeft tijdens dat gesprek onder andere verklaard dat hij sinds september 2011 niet meer bij zijn echtgenote woonde. De echtscheiding was inmiddels uitgesproken, maar nog niet ingeschreven. Ook zou hij in

juli 2012 nog met haar en de kinderen op vakantie naar Turkije gaan. Uit de overgelegde bankafschriften bleek voorts dat appellant nog altijd water en energie en de huur voor de echtelijke woning betaalde. Appellant ontving deze afschriften op het adres van zijn echtgenote.

1.3.

In verband met de gerezen twijfel, is nader onderzoek verricht om de door appellant verstrekte inlichtingen te controleren. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 juli 2012. Daaruit blijkt onder andere dat appellant op 1 maart 2012 een inboedelverzekering op het adres van zijn echtgenote heeft afgesloten. Hij heeft voorts geen huurcontract en ook geen betaalbewijzen van de huur van de woning op het opgegeven adres overgelegd.

1.4.

In het kader van het onderzoek hebben twee medewerkers van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling, Werk en Inkomen op 21 juni 2012, 22 juni 2012 en

28 juni 2012 geprobeerd een onaangekondigd huisbezoek af te leggen op het door appellant opgegeven adres. Appellant was alle keren niet aanwezig. Op 28 juni 2012 hebben de medewerkers een uitnodiging in de brievenbus van het opgegeven adres gedeponeerd om te verschijnen voor een gesprek op 29 juni 2012 om 9.00 uur op het kantoor van Werk en Inkomen van de gemeente Utrecht. Appellant is zonder bericht niet op dat gesprek verschenen. Bij brief van 29 juni 2012, welke brief eveneens door een medewerker van de dienst in de brievenbus van het opgegeven adres is gedeponeerd, is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 2 juli 2012. Appellant is wederom niet verschenen.

1.5.

De bevindingen van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van 3 juli 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 november 2012 (bestreden besluit), de aanvraag om bijstand van appellant af te wijzen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde in geding woonde op het opgegeven adres, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. Hierbij is van belang dat de betrokkene juiste en volledige informatie over zijn woonadres verstrekt, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

De te beoordelen periode loopt van 19 maart 2012 (de datum van de melding) tot en met 3 juli 2012 (de datum van het afwijzende besluit).

4.3.

In hoger beroep heeft appellant verklaringen gegeven voor zijn afwezigheid ten tijde van de pogingen een huisbezoek af te leggen en voor het niet verschijnen op de oproepen van het college. De juistheid daarvan kan hier in het midden blijven. Ook indien appellant in de door hem gegeven uitleg zou worden gevolgd, laat dit onverlet dat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting. Appellant heeft daarmee immers de twijfel omtrent zijn woonsituatie, zoals die voortvloeit uit de in 1.2 en 1.3 genoemde feiten en omstandigheden, niet weggenomen. De door hem in bezwaar overgelegde huurovereenkomst met betrekking tot het door hem opgegeven adres maakt dit niet anders. Nog daargelaten dat de huurovereenkomst niets hoeft te zeggen over de feitelijke woonsituatie, roept ook deze huurovereenkomst weer vragen op. De overeenkomst is pas op 11 augustus 2012 ondertekend, terwijl de huur op 1 mei 2012 zou zijn ingegaan, welke datum weer ligt na

19 maart 2012, de datum dat appellant zich heeft gemeld. De verklaring van appellant dat de huurovereenkomst pas op 11 augustus 2012 is ondertekend vanwege min of meer aaneensluitende vakanties van appellant en van de verhuurder, valt zonder nadere toelichting

- die ontbreekt - moeilijk te rijmen met de door appellant wel ontvangen kwitanties voor de door hem gedane huurbetalingen. Appellant heeft deze kwitanties, gelet op de datering en de ondertekening daarvan, op 28 april 2012 en 26 mei 2012 ontvangen. Ook het in bezwaar overgelegde echtscheidingsconvenant neemt geen twijfels weg. Op basis van dat convenant is het huurrecht van de echtelijke woning aan appellant toebedeeld. Zijn echtgenote en de kinderen behouden op grond daarvan weliswaar het recht op het gebruik van de woning, maar dat verklaart niet waarom appellant alle in 1.2 en 1.3 genoemde kosten met betrekking tot deze woning voldoet. Het convenant verplicht appellant immers slechts de huur van deze woning te betalen met ingang van de datum dat zijn echtgenote niet langer in de echtelijke woning woonachtig is.

4.4.

Wat in 4.2 en 4.3 is overwogen, leidt tot de conclusie dat appellant niet de nodige duidelijkheid heeft verschaft en geen volledige openheid van zaken heeft gegeven ten aanzien van zijn woonsituatie. Daarmee is hij tekort geschoten in de op hem rustende inlichtingenverplichting, als gevolg waarvan het recht op bijstand over de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld. Het college heeft de aanvraag om bijstand dan ook terecht afgewezen.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

4.6.

Het verzoek om vergoeding van schade zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2014.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) O.P.L. Hovens

HD