Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3876

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
13-4127 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht. Het college wijst er terecht op dat als appellant problemen ondervond met het doen van een digitale aanvraag, hij zich op dat moment had kunnen melden tot één van de op het Werkplein aanwezige medewerkers. Appellant heeft dat niet gedaan.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 43
Wet werk en bijstand 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4127 WWB

Datum uitspraak: 25 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 juli 2013, 12/1725 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft W.A.M. van Roessel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door Van Roessel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

H.M. Pluijmaeckers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Nadat de bijstand bij besluit van 24 augustus 2011 was beëindigd, heeft appellant zich op 19 oktober 2011 gemeld om bijstand aan te vragen. Appellant is op dat moment afgehouden van het indienen van een aanvraag.

1.2.

Appellant heeft zich op 15 maart 2012 wederom gemeld om bijstand aan te vragen. Bij besluit van 12 april 2012 heeft het college de daarop volgende aanvraag van 29 maart 2012 toegewezen en appellant met ingang van 15 maart 2012 bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend.

1.3.

Bij besluit van 27 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 april 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant, nadat hij zich op 19 oktober 2011 had gemeld om bijstand aan te vragen, ten onrechte is afgehouden van het doen van een aanvraag. Dit is een bijzondere omstandigheid die toekenning van bijstand met terugwerkende kracht zou kunnen rechtvaardigen. Het geheel van feiten en omstandigheden is daarvoor echter bepalend. Worden de overige omstandigheden van het geval bij de beoordeling betrokken, dan rechtvaardigen de omstandigheden van dit geval geen afwijking van het in 4.1 genoemde uitgangspunt. Daarvoor is het volgende van belang.

4.3.

Appellant is op 19 oktober 2011 afgehouden van het doen van een aanvraag. Niet duidelijk is of hem toen is medegedeeld dat hij tot 31 oktober 2011 moest wachten voordat hij een nieuwe aanvraag kon doen, zoals het college stelt, of dat hem is medegedeeld dat hij de uitkomst van de lopende bezwaarprocedure tegen het besluit tot beëindiging van de bijstand moest afwachten, zoals appellant stelt. Wat appellant destijds precies is medegedeeld, kan echter in het midden blijven. Appellant heeft immers niet zo spoedig mogelijk na 31 oktober 2011 en ook niet na 8 december 2012, de datum waarop op het bezwaar tegen het besluit tot beëindiging van de bijstand is beslist, een aanvraag ingediend. Dat had wel op de weg van appellant gelegen, temeer omdat hem ten tijde van de in verband met zijn bezwaar gehouden hoorzitting uitdrukkelijk is geadviseerd een nieuwe aanvraag in te dienen.

4.4.

Appellant heeft ter zitting van de Raad verklaard dat hij sinds de hoorzitting verschillende keren heeft geprobeerd om digitaal een aanvraag in te dienen. Dit is telkens niet gelukt omdat het programma tijdens het invullen van de aanvraag vastliep. Uiteindelijk heeft hij zich tot een medewerker van de dienst gewend, hetgeen heeft geleid tot de toekenning van bijstand bij het besluit van 12 april 2012.

4.5.

Nog daargelaten dat uit de stukken niet blijkt dat appellant tussen 19 oktober 2011 en

29 maart 2012 heeft geprobeerd een aanvraag om bijstand te doen, geldt dat het college er terecht op wijst dat als appellant problemen ondervond met het doen van een digitale aanvraag, hij zich op dat moment had kunnen melden tot één van de op het Werkplein aanwezige medewerkers. Appellant heeft dat niet gedaan. Het is dan ook aan appellant te wijten dat niet kort na de hoorzitting, dan wel kort na de beslissing op bezwaar van

8 december 2012, een aanvraag tot stand is gekomen.

4.6.

Gelet op wat in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen, is geen sprake van bijzondere omstandigheden die bijstandverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2014.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) O.P.L. Hovens

HD