Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:387

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
12-3592 BBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand om de teruggevorderde voorschotten op de huurtoeslag aan de Belastingdienst te kunnen terugbetalen. Ontstaan schuldenlast ten tijde van ontvangst algemene bijstand. Geen bijzondere omstandigheden. Afwijzing advies bezwaarcommissie. Artikel 12-gemeente. Ontbreken van buitenwettelijk begunstigend beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/3592 BBZ

Datum uitspraak: 11 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden van 24 mei 2012, 12/793 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Achterveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vragen van de Raad schriftelijk beantwoord en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2013. Voor appellant is verschenen mr. Achterveld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.B. Holtjer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving van 1 juli 2006 tot en met 31 maart 2008 en van 1 mei 2009 tot 1 juli 2009 van het college op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) algemene bijstand. Van 1 april 2008 tot en met 30 april 2009 ontving appellant op grond van het Bbz 2004 algemene bijstand van het college van burgemeester en wethouders van een andere gemeente. Vanaf 1 juli 2009 ontvangt appellant van het college algemene bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 21 maart 2011 heeft de Belastingdienst de huurtoeslag over 2009 vastgesteld op € 1.058,- en bepaald dat appellant de over 2009 verstrekte voorschotten op de huurtoeslag tot een bedrag van € 1.639,- moet terugbetalen.

1.3.

Appellant heeft op 18 juli 2011 op grond van de WWB bij het college een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand om de bij het besluit van 21 maart 2011 van hem teruggevorderde voorschotten op de huurtoeslag aan de Belastingdienst te kunnen terugbetalen. Bij besluit van 18 oktober 2011 heeft het college deze aanvraag met toepassing van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f (lees: g), van de WWB afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat verstrekking van bijzondere bijstand voor schulden niet mogelijk is.

1.4.

Bij besluit van 2 maart 2012 (bestreden besluit), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 oktober 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat het college zonder deugdelijke motivering is afgeweken van het advies van de Commissie Bezwaarschriften van de gemeente Boarnsterhim (bezwaarcommissie). Appellant heeft verder aangevoerd dat hij om bijzondere bijstand voor woonkosten heeft gevraagd omdat hij een compensatie wilde voor de terugbetaling van de huurtoeslag over 2009, ondanks dat hij in dat jaar in feite een inkomen op bijstandsniveau had. Appellant valt voorts niet te verwijten dat hij bij het besluit van 21 maart 2011 werd geconfronteerd met de terugvordering van de over 2009 verstrekte voorschotten op de huurtoeslag tot een bedrag van € 1.639,-. In 2009 was het fiscale inkomen van appellant hoog en het over dat jaar vastgestelde bedrag van de huurtoeslag laag, omdat in dat jaar de eerder in de vorm van een geldlening verstrekte algemene bijstand op grond van het Bbz 2004 werd omgezet in bijstand om niet. Feitelijk heeft appellant steeds beschikt over een inkomen op bijstandsniveau. Van een gewone consumptieve of andere vermijdbare schuld is geen sprake. Onder deze omstandigheden was het verlenen van bijzondere bijstand wegens zeer dringende redenen op zijn plaats geweest. Appellant acht voorts het ontbreken van buitenwettelijk begunstigend beleid in situaties als waarvan in zijn geval sprake is niet acceptabel. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat als geen bijzondere bijstand kan worden verleend voor de terugbetaling van de voorschotten op de huurtoeslag over 2009, het op de weg van het college had gelegen om toch een vorm van compensatie te bieden voor de belastingschade die appellant heeft geleden omdat de omzetting van de eerder in de vorm van een geldlening verstrekte algemene bijstand op grond van het Bbz 2004 in bijstand om niet in het relevante fiscale jaar, maar achteraf heeft plaatsgevonden. Dit had het college zo nodig ambtshalve moeten doen. Zo mogelijk had het college zelfs de aanvraag als een verzoek om vergoeding van belastingschade moeten opvatten.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Blijkens het door appellant ondertekende en op 18 juli 2011 bij het college binnengekomen formulier ‘Aanvraag: Bijzondere Bijstand’ heeft appellant gevraagd om een uitkering voor de kosten van woonkostentoeslag in verband met een aanslag huurtoeslag tot een bedrag van € 1.639,-. Gelet hierop is van een verzoek om vergoeding van belastingschade geen sprake. Anders dan appellant heeft aangevoerd had het college de aanvraag van appellant evenmin als zodanig moeten opvatten.

4.2.

Het college heeft de aanvraag terecht opgevat als een aanvraag om bijzondere bijstand voor een schuld. Op grond van het besluit van de Belastingdienst van 21 maart 2011 was appellant verplicht een bedrag van € 1.639,- terug te betalen en om dat bedrag terug te betalen heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd. Dat het volgens appellant niet gaat om een gewone consumptieve of andere vermijdbare schuld, maar om een schuld waarvan het ontstaan hem niet valt aan te rekenen, maakt dat niet anders.

4.3.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige betaling van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB bijzondere bijstand voor schulden te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan.

4.4.

De schuldenlast waarop de aanvraag ziet, is ontstaan door het besluit van de Belastingdienst van 21 maart 2011. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant toen algemene bijstand ontving ingevolge de WWB en op grond daarvan beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dat betekent dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de WWB aan het verlenen van bijstand voor die schuld in de weg staat.

4.5.

Volgens vaste rechtspraak van de raad (uitspraak van 14 augustus 2012, ECLI:CRVB:NL:2012:BX4569) doen zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB zich voor indien sprake is van een situatie waarin de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen andere wijze zijn te verhelpen en bijstandsverlening volstrekt onvermijdelijk is. Daarvan is in het geval van appellant geen sprake. Bij brief van 26 maart 2011 heeft de Belastingdienst appellant geïnformeerd over de mogelijkheden van terugbetaling van de van hem teruggevorderde voorschotten op de huurtoeslag 2009. Tot die mogelijkheden behoort de verrekening van het terug te betalen bedrag met het voorschot op de huurtoeslag over 2011 en terugbetaling in

24

termijnen. Gelet daarop heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij schulden had die hem in zijn bestaansvoorziening bedreigden. De omstandigheid dat appellant ter zake van het ontstaan van de schuld geen verwijt treft en dat het niet gaat om een gewone consumptieve of andere vermijdbare schuld, vormt geen zeer dringende reden. Noch daargelaten dat van de afwijzing van een verzoek van appellant tot verlening van een saneringskrediet als bedoeld in artikel 49, onder a, van de WWB niet is gebleken, betekent het voorgaande dat het college niet op grond van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB gehouden was bijzondere bijstand voor de betreffende schuld te verlenen.

4.6.

Bij het bestreden besluit is het college afgeweken van het advies van de bezwaarcommissie om de aanvraag van appellant te honoreren en buitenwettelijk begunstigend beleid op te stellen op grond waarvan kosten, waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd, kunnen worden vergoed. Het college heeft daarvoor onder meer als reden gegeven dat de consequenties van zo’n besluit, met name de precedentwerking van dat besluit en de gevolgen daarvan voor de gemeente, nog niet in beeld zijn gebracht. Ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank is van de zijde van het college daaraan toegevoegd dat er op dat moment financieel geen ruimte bestond om op korte termijn over te gaan tot het opstellen van buitenwettelijk begunstigend beleid. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het college toegelicht dat ten tijde van het bestreden besluit en ook thans nog de gemeente Boarnsterhim een gemeente is waarvoor artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet geldt. Anders dan appellant aanvoert, heeft het college daarmee deugdelijk gemotiveerd waarom is afgeweken van het advies van de bezwaarcommissie.

4.7.

Het standpunt van appellant dat onaanvaardbaar is dat in situaties als waarvan in zijn geval sprake is buitenwettelijk begunstigend beleid ontbreekt wordt niet gevolgd. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 12 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2509) wordt de aanwezigheid en de toepassing van buitenwettelijk begunstigend beleid als een gegeven aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze wordt toegepast. Hieruit vloeit voort dat ook het ontbreken van buitenwettelijk begunstigend beleid als een gegeven wordt aanvaard. Vragen of het ontbreken van wettelijk begunstigend beleid al dan niet aanvaardbaar is zijn daarom niet aan de orde.

4.8.

De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat het college moet worden veroordeeld in de proceskosten reeds omdat hij wellicht geen (hoger) beroep had ingesteld als het college eerder dan op verzoek van de Raad informatie had verstrekt over de verschillende tijdstippen waarop de hem in de vorm van een geldlening verstrekte bijstand op grond van het Bbz 2004 is omgezet in bijstand om niet. Uit de beschikbare stukken blijkt dat appellant destijds met aan hem gerichte besluiten daarover tijdig en volledig is geïnformeerd. Dat de gemachtigde van het college deze informatie tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase niet paraat had, maakt dit niet anders.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2014.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) M. Sahin

HD