Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3869

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
14-512 VALYS
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing (herhaalde) aanvraag om een persoonlijk kilometerbudget toe te kennen. Geen medische of ergonomische indicatie aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/512 VALYS

Datum uitspraak: 12 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

11 december 2013, 12/10346 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

Argonaut Advies B.V. (Argonaut)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft ing. P. van den Oever hoger beroep ingesteld.

Argonaut heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2014. Namens appellante is

ing. Van den Oever verschenen. Argonaut heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Smit.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 23 juli 2012 heeft Argonaut de aanvraag van appellante om toekenning van een hoog persoonlijk kilometerbudget (pkb) afgewezen.

1.2.

Na bezwaar heeft Argonaut deze afwijzing gehandhaafd bij besluit van

24 september 2012 (bestreden besluit). Daaraan is ten grondslag gelegd dat er geen medische dan wel ergonomische redenen zijn waardoor reizen met de trein voor appellante onmogelijk is.

2.1.1.

Gedurende de procedure in beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante op

29 maart 2013 een nieuwe aanvraag voor een hoog pkb ingediend. In dit kader is, naast een gewijzigde medische situatie, aangegeven dat appellante inmiddels een rolstoel heeft. Deze rolstoel is volgens appellante 87 cm breed waardoor reizen per trein onmogelijk is. Appellante heeft deze rolstoel al vanaf 29 augustus 2012 maar heeft Argonaut daar eerst bij de behandeling ter zitting van de rechtbank op 19 maart 2013 van op de hoogte gebracht.

2.1.2.

Bij besluit van 26 april 2013 heeft Argonaut de aanvraag voor een hoog pkb wederom afgewezen omdat er noch een medische noch een ergonomische indicatie bestaat voor een hoog pkb. Op het spreekuur is de breedte van de rolstoel van appellante opgemeten. De meting komt uit op 84 cm, bij nameten op 82 cm. Verder blijkt uit informatie van de fabrikant dat de totale breedte van de rolstoel 77 cm is (zitbreedte 60 cm plus 17 cm). Volgens deze gegevens blijft de buitenmaat van de rolstoel van appellante binnen de door de NS aangegeven breedte van 85 cm zodat zij met haar rolstoel gebruik kan maken van de trein. Appellante stelt hiertegenover dat de breedte volgens de bij levering aan appellante verstrekte technische gegevens in totaal 87 cm bedraagt (zitbreedte 60 cm plus 27 cm). Appellante betwist voorts de deugdelijkheid van de door Argonaut verrichte meting nu geen gebruik is gemaakt van een gekalibreerd meetinstrument maar van een rolmeetlint, en geen gebruik is gemaakt van een correcte meetopstelling dan wel meetmethode.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is in de eerste plaats overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat medische problemen het appellante onmogelijk maken om met de trein te reizen. Niet gebleken is dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, dan wel dat de door de bezwaararts getrokken conclusies onjuist zijn. Verder is overwogen dat de buitenmaat van de rolstoel van appellante binnen de door de NS aangegeven breedte van maximaal 85 cm valt. De rechtbank kent doorslaggevende betekenis toe aan de door Argonaut zelf gemeten breedte.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt dat de rechtbank de door Argonaut vastgestelde maat van de rolstoel ten onrechte laat prevaleren boven de van fabrikantswege bij levering aan appellante verstrekte maatvoeringgegevens. De rechtbank heeft verzuimd het relaas van appellante over de ondeugdelijkheid van de meting van Argonaut in haar afweging te betrekken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de door de rechtbank gegeven overwegingen. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.

4.2.

De Raad ziet geen aanknopingspunten om de door Argonaut verrichte meting van de buitenmaat van de rolstoel van appellante voor ondeugdelijk te houden. Gezien de relatieve eenvoud van de te verrichten meting, bezien in samenhang met de van Argonaut te verwachten deskundigheid en zorgvuldigheid, valt niet in te zien dat de resultaten van de meting zonder (begin van) tegenbewijs als onvoldoende nauwkeurig dienen te worden bestempeld. Er zou reden voor twijfel zijn indien appellante haar stelling dat de rolstoel meer dan 85 cm breed is zou hebben onderbouwd met de resultaten van een meting uitgevoerd door een ter zake deskundige.

4.3.

Bovendien wordt meer waarde gehecht aan de door de fabrikant van de rolstoel verstrekte technische gegevens - waaruit een breedte volgt die ruim beneden de 85 cm

blijft - dan aan de technische gegevens die zijn vermeld op de door de verhuurder van de rolstoel aan appellante verstrekte gebruiksaanwijzing. Deze gebruiksaanwijzing bevat het logo van de verhuurder en niets wijst erop dat de daarin vermelde technische gegevens afkomstig zijn van de fabrikant van de rolstoel.

4.4.

Appellante heeft ten slotte geen verklaring van de NS overgelegd waaruit blijkt dat de NS appellante in verband met de breedte van haar rolstoel geweigerd heeft per trein te vervoeren.

4.5.

De Raad komt tot de slotsom dat wat appellante heeft aangevoerd er niet toe leidt dat het standpunt van Argonaut dat er geen ergonomische redenen zijn waardoor reizen met de trein onmogelijk moet worden geacht voor appellante, voor onjuist moet worden gehouden.

4.6.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) B. Fotchind

RB