Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3863

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
13-3420 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Periode 1) Over deze periode heeft al besluitvorming plaatsgevonden. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Periode 2) Geen sprake van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het uitgangspunt dat geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaande aan de melding om bijstand aan te vragen. Periode 3) Geen wijziging in de omstandigheden in die zin dat over deze periode wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3420 WWB, 13/3421 WWB

Datum uitspraak: 18 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

23 mei 2013, 13/287 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. L.J.L.M. Dacier, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2014. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Dacier. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.A. Willems en P.J. Sluis.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 12 april 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 19 april 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 september 2012, heeft het college de bijstand van appellanten met ingang van 7 februari 2012 beëindigd (lees: ingetrokken). De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 mei 2013 het beroep tegen het besluit van 24 september 2012 ongegrond verklaard. De Raad heeft deze uitspraak bevestigd bij uitspraak van heden met registratienummers 13/3416 WWB, 13/3417 WWB, 13/3418 WWB en 13/3419 WWB.

1.2.

Op 5 juni 2012 hebben appellanten zich opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen met als gewenste ingangsdatum 7 februari 2012.

1.3.

Bij besluit van 13 augustus 2012 heeft het college de aanvraag van appellanten afgewezen.

1.4.

Bij besluit van 27 november 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 13 augustus 2012 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een dringende reden om bijstand met terugwerkende kracht te verlenen. Daarnaast kon het college niet vaststellen of appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden, gelet op de kasstortingen van onbekende herkomst op de bankrekening van appellanten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM0861 bestaat aanleiding onderscheid te maken in verschillende periodes vanwege het verschil in toetsingskader bij die te onderscheiden periodes. Bij een te beoordelen periode waarover reeds besluitvorming heeft plaatsgevonden, ligt het op de weg van de aanvrager nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan te voeren op grond waarvan er voor het bestuursorgaan aanleiding moet zijn van zijn eerdere besluitvorming terug te komen. Over een periode die ligt voor de datum van de aanvraag en waarover nog geen inhoudelijke besluitvorming heeft plaatsgevonden wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder de uitspraak van 2 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO2996, inzake de toepassing van artikel 43 en artikel 44 van de WWB in beginsel geen bijstand verleend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. De laatste periode ziet op de datum van de aanvraag/melding bij het UWV Werkbedrijf tot en met de datum van het primaire besluit. Hiervoor geldt dat na intrekking van een periodieke bijstandsuitkering of afwijzing van een eerdere aanvraag om periodieke bijstand het op de weg van de aanvrager ligt om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen.

4.2.

De eerste periode loopt van 7 februari 2012 tot en met 19 april 2012. Over deze periode heeft al besluitvorming plaatsgevonden. Het college heeft immers bij besluit van

19 april 2012 de bijstand van appellanten met ingang van 7 februari 2012 ingetrokken. Met de uitspraak van heden van de Raad met registratienummers 13/3416 WWB, 13/3417 WWB, 13/3418 WWB en 13/3419 WWB is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden. Het toepasselijke toetsingskader, weergegeven onder 4.1, brengt mee dat ter beoordeling staat of appellanten nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten aanzien van deze periode hebben aangevoerd. Appellanten hebben ten aanzien van deze periode aan hun aanvraag geen feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd die als dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Het college heeft dan ook terecht geweigerd appellanten over de periode van 7 februari 2012 tot en met

19 april 2012 bijstand te verlenen.

4.3.

De tweede periode loopt van 20 april 2012 tot 5 juni 2012. Over deze periode heeft nog geen besluitvorming plaatsgevonden, zodat beoordeeld moet worden of sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat wordt afgeweken van het uitgangspunt dat geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaande aan de melding om bijstand aan te vragen. Dergelijke omstandigheden doen zich hier niet voor. Anders dan appellanten stellen, bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten voor hun stelling dat zij zich eerder dan op 5 juni 2012 bij het UWV Werkbedrijf hebben gemeld om bijstand aan te vragen. Appellanten hebben geen concrete datum kunnen noemen waarop zij zich bij het UWV Werkbedrijf hebben gemeld en hebben desgevraagd ter zitting deze gestelde eerdere meldingen ook niet kunnen toelichten. Het college heeft dan ook terecht geweigerd appellanten over de periode van 20 april 2012 tot 5 juni 2012 bijstand te verlenen.

4.4.

De laatste periode loopt van 5 juni 2012 tot en met 13 augustus 2012, de datum van het primaire besluit. Vast staat dat in de periode voorafgaande aan de aanvraag zeer regelmatig door middel van kasstortingen bedragen op de bankrekening van appellanten zijn bijgeschreven. Appellanten hebben aangevoerd dat deze kasstortingen afkomstig zijn van geldleningen van derden. Zij hebben deze stelling echter niet onderbouwd bijvoorbeeld aan de hand van overeenkomsten van geldlening, omdat de personen die de leningen hebben verstrekt daarover geen verklaring wilden afleggen. De gevolgen daarvan dienen voor risico van appellanten te blijven. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de bedragen van de kasstortingen moeten worden aangemerkt als middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB waarover appellanten konden beschikken. Appellanten konden deze middelen aanwenden voor hun levensonderhoud. Verder is van belang dat uit de bankafschriften naar voren is gekomen dat appellanten in de periode voorafgaande aan de aanvraag om bijstand geen opnamen voor levensonderhoud hebben gedaan. Appellanten hebben dan ook niet aangetoond dat over de periode van 5 juni 2012 tot en met 13 augustus 2012 sprake is geweest van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat over deze periode wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Het college heeft dan ook terecht geweigerd appellanten met ingang van 5 juni 2012 bijstand te verlenen.

4.5.

Appellanten hebben hun stelling dat bij de besluitvorming algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, niet onderbouwd. Deze stelling kan derhalve evenmin leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom, met verbetering van gronden, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en A.B.J. van der Ham en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2014.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) M.R. Schuurman

HD