Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13-3568 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen geldige verblijfsvergunning. Geen recht op kinderbijslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/3568 AKW

Datum uitspraak: 21 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 juli 2013, 13/1163 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Sprakel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is afkomstig uit Burundi en verblijft sinds 28 oktober 2005 in Nederland. Op 22 januari 2008 is haar dochter [naam dochter] in Nederland geboren. De aanvraag van appellante om kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) van 22 mei 2012 is door de Svb afgewezen bij besluit van 14 oktober 2012, omdat appellante geen verblijfsvergunning heeft. In bezwaar is namens appellante een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van

15 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905).

1.2.

Bij de beslissing op bezwaar van 5 februari 2013 (bestreden besluit) heeft de Svb - onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7740) - het besluit van 14 oktober 2012 gehandhaafd, omdat appellante op grond van artikel 6, tweede lid, van de AKW geen verzekerde is.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante er op gewezen dat zijn kantoor naar aanleiding van bovengenoemd arrest van de Hoge Raad een klacht heeft ingediend bij het Human Rights Committee (VN-Mensenrechtencomité) te Geneve met het verzoek de daarin vermelde gronden als beroepsgronden aan te merken. Voorts is verzocht de zaak aan te houden totdat op de klacht is beslist.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht, wordt geen aanleiding gezien deze procedure aan te houden, nu het niet ondenkbeeldig is dat het nog geruime tijd zal duren voordat het VN-Mensenrechtencomité zijn Inzichten zal hebben vastgesteld, nog daargelaten de vraag of een eventueel gegronde klacht (directe) consequenties heeft voor het onderhavige hoger beroep.

4.2.

Tussen partijen is in geschil het recht op kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2011 tot en met het vierde kwartaal van 2012.

4.3.

Niet in geschil is dat appellante aan het nationale recht geen recht op kinderbijslag kan ontlenen. In geschil is de vraag of uit het internationale recht moet worden afgeleid dat appellante niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW op de grond dat zij niet beschikt over een verblijfstitel als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd.

4.4.

Nu namens appellante in hoger beroep geen nadere internationaalrechtelijke gronden zijn aangevoerd, wordt kortheidshalve volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 5 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:994) in een met het onderhavige geding vergelijkbare zaak. Van dusdanige schrijnende omstandigheden dat deze in het geval van appellante zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel, is ook hier niet gebleken. Hetgeen door de gemachtigde in de klacht aan het VN-Mensenrechtencomité naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. De in 4.3 geformuleerde vraag dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

4.4.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, dient te worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2014.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) R.L. Rijnen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

NK