Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3850

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13-2698 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen geldige verblijfsvergunning. Geen recht op kinderbijslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2698 AKW

Datum uitspraak: 21 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 april 2013, 12/4946 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. Cakici-Reinders, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is afkomstig uit Burundi en verblijft sinds 16 december 2005 in Nederland. Haar twee kinderen, [naam kind A.] en [naam kind B.], zijn in Nederland geboren op respectievelijk

17 augustus 2006 en 13 augustus 2010. Appellante en haar kinderen hebben de Burundische nationaliteit. Appellante heeft enige tijd kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ten behoeve van haar kind [naam kind A.] ontvangen. Het recht op kinderbijslag is vervolgens beëindigd met ingang van het derde kwartaal van 2010 omdat appellante toen niet meer beschikte over een geldige verblijfsvergunning. Op 15 oktober 2011 heeft appellante opnieuw kinderbijslag aangevraagd, welke aanvraag bij besluit van 2 november 2011 is afgewezen, omdat appellante geen verblijfsvergunning heeft en daarom niet verzekerd is voor de AKW. In bezwaar heeft appellante een beroep gedaan op de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905). Aan appellante is per

23 mei 2012 weer een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend.

1.2.

Bij beslissing op bezwaar van 10 mei 2012 heeft de Svb zijn besluit van 2 november 2011 gehandhaafd. Hierbij is overwogen dat de Svb de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011 niet volgt en daartegen beroep in cassatie heeft ingesteld.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7740) ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de Hoge Raad in bovengenoemd arrest zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de doorwerking van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en dat om die reden de gemachtigde van appellante en haar kantoorgenoten een klacht hebben ingediend bij het Human Rights Committee

(VN-Mensenrechtencomité) te Geneve. Ook is een beroep gedaan op het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (VN-Vrouwenverdrag) omdat appellante slachtoffer is geweest van seksueel geweld. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte niet bij haar afweging betrokken dat appellante eerder een recht op kinderbijslag heeft gehad, een bijstandsuitkering ontvangt en thans een verblijfsvergunning heeft.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil het recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2010 tot en met het vierde kwartaal van 2011.

4.2.

Niet in geschil is dat appellante aan het nationale recht geen recht op kinderbijslag kan ontlenen. In geschil is de vraag of uit het internationale recht moet worden afgeleid dat appellante niet mag worden uitgesloten van de verzekering voor de AKW op de grond dat zij niet beschikt over een verblijfstitel als in artikel 6, tweede lid, van de AKW genoemd.

4.3.

Kortheidshalve wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:994) in een met het onderhavige geding vergelijkbare zaak. In die uitspraak heeft de Raad, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van

23 november 2012, overwogen dat het beroep op artikel 8 van het Europees Verdag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in samenhang met artikel 14 van het EVRM niet kan slagen. Van dusdanige schrijnende omstandigheden dat deze in het geval van appellante zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel, is ook hier niet gebleken. In het kader van de toetsing aan het discriminatieverbod kan ook het beroep op het IVRK, gezien het arrest van de Hoge Raad niet tot een andere uitkomst leiden (vergelijk ook de uitspraak van de Raad van

23 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2492). Het beroep op het VN-Vrouwenverdrag is reeds in de uitspraak van 15 juli 2011 door de Raad verworpen. Ook hetgeen door de gemachtigde in de klacht ingediend bij het VN-Mensenrechtencomité naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. De in 4.2 geformuleerde vraag dient dan ook ontkennend te worden beantwoord.

4.4.

Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2014.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) R.L.Rijnen

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

MK