Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3840

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
12-2489 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Weigering WIA-uitkering. Geen sprake van een verboden reformatio in peius. Deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag. 2) Terugvordering voorschotten. Vernietiging besluit met instandlating rechtsgevolgen omdat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Het Uwv heeft het besluit nader gemotiveerd. Met het gevoerde beleid blijft het Uwv binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Het Uwv had niet eerder een besluit kunnen nemen aangezien de behandeling van de aanvraag om WIA-uitkering vertraagd was omdat appellant niet op de geplande spreekuren was verschenen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 77
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Algemene wet bestuursrecht 4:95
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/21
NJB 2014/2228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2489 WIA, 12/2490 WIA

Datum uitspraak: 21 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van

22 maart 2012, 11/5659 (uitspraak 1) en 11/5825 (uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. W. Hoebba, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen beide uitspraken.

Het Uwv heeft in beide gedingen een verweerschrift ingediend en bij brieven van

4 februari 2014 en 4 maart 2014 vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2014. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als tramschoonmaker. Voor dat werk is hij op

30 juli 2008 na een bedrijfsongeval uitgevallen vanwege hand- en rugklachten. In verband met zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) zijn hem bij besluit van 13 januari 2011 met ingang van

28 juli 2010 voorschotten toegekend.

1.2.

Naar aanleiding van de in 1.1 vermelde aanvraag heeft de verzekeringsarts op grond van de resultaten van een eigen onderzoek en van het op verzoek van het Uwv verricht onderzoek door orthopedisch chirurg dr. A.J.M. Sauter geconcludeerd dat er een discrepantie bestaat tussen het door appellant geclaimde onvermogen wat betreft de functie van de rechterarm en de objectiveerbare bevindingen. In verband met de rechterarmklachten heeft de verzekeringsarts enkele milde beperkingen aangenomen in verband met de doorgemaakte, maar goed herstelde fractuur. In verband met de rugklachten heeft zij enkele beperkingen aangenomen om al te zware en eenzijdige belasting van de rug te voorkomen. Ook heeft zij beperkingen aangenomen in verband met de verminderde visus. De beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige aan de hand van de FML functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 1 juni 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 28 juli 2010 geen recht is ontstaan op een Wet WIA-uitkering.

1.3.

Appellant heeft tegen het besluit van 1 juni 2011 bezwaar gemaakt. Mede gelet op de in bewaar ontvangen informatie van de behandelende specialisten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 20 september 2011, aangevuld op 13 oktober 2011, geconcludeerd dat appellant weliswaar rugklachten heeft, maar dat er aan de rug geen afwijkingen of bewegingsbelemmeringen zijn gevonden. Vanwege dit gebrek aan medische onderbouwing heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep enkele beperkingen geschrapt. Aan de hand van de gewijzigde FML heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep een nieuwe selectie van functies gemaakt, maar geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft. Bij besluit van 9 november 2011 (besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 9 augustus 2011 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat nu hij geen recht had op een WIA-uitkering hem ten onrechte van 28 juli 2010 tot 1 juni 2011 voorschotten op grond van de Wet WIA zijn verstrekt en dat een bedrag van € 15.844,90 bruto van hem wordt teruggevorderd. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van eveneens 9 november 2011 (besluit 2) ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat hij de wettelijke plicht heeft om ten onrechte uitbetaalde voorschotten terug te vorderen en dat er geen dringende redenen zijn om in het geval van appellant van terugvordering af te zien.

2. Bij uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen besluit 1 ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft allereerst, met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

19 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4631, geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 20 september 2011 inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd waarom de FML gewijzigd is, zodat de wijziging van de FML in bezwaar aanvaardbaar is. Van strijd met het verbod van reformatio in peius is geen sprake. Appellant is materieel niet in een nadeliger rechtspositie gebracht, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage niet in relevante mate is gewijzigd.

2.2.

Met betrekking tot de medische grondslag heeft de rechtbank voorts overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en de beschikbare informatie voldoende was voor het Uwv om tot een gefundeerde beoordeling te komen. Appellant heeft geen stukken overgelegd die zijn stelling onderbouwen dat hij geen loonvormende arbeid meer kan verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank berust besluit 1 op een deugdelijke medische grondslag.

2.3.

Besluit 1 berust ook op een deugdelijke arbeidskundige grondslag. Volgens de rechtbank valt niet in te zien dat appellant gelet op zijn opleidingsniveau 2 niet in staat kan worden geacht tot het vervullen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. In het midden latend of bij een van die functies sprake is van overschrijding van de belastbaarheid ten aanzien van het zien, zijn de overige drie geselecteerde functies passend en blijft ook op grond van de resterende drie functies de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35%.

3. Bij uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen besluit 2 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv bij het toekennen van de voorschotten op 13 januari 2011 appellant er uitdrukkelijk op heeft gewezen dat deze voorschotten terugbetaald zouden moeten worden, als er geen recht op een Wet

WIA-uitkering zou bestaan.

Het hoger beroep tegen uitspraak 1, het geding 12/2489

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bijstelling van de FML in bezwaar inzichtelijk en overtuigend is onderbouwd. Appellant handhaaft daarom zijn standpunt dat sprake is van strijd met het verbod van reformatio in peius. Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat besluit 1 op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust.

4.2.

Het Uwv heeft verzocht uitspraak 1 te bevestigen.

5.1.

De Raad kan zich geheel verenigen met de overwegingen van de rechtbank dat in het onderhavige geval geen sprake is van een verboden reformatio in peius. Appellant is met de uitkomst van besluit 1 niet in een nadeliger positie komen te verkeren.

5.2.

De Raad verenigt zich ook met het oordeel van de rechtbank over de medische en arbeidskundige grondslag van besluit 1 en de overwegingen van de rechtbank daarover. Wat appellant ter onderbouwing van zijn hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat reeds in beroep is aangevoerd met betrekking tot de medische en arbeidskundige onderbouwing van besluit 1. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep informatie in het geding gebracht die een ander licht werpt op zijn medische situatie op de datum in geding. Voorts heeft ook de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor twijfel aan de juistheid van het oordeel dat appellant over opleidingsniveau 2 beschikt of dat de schatting gebaseerd is op een voldoende aantal voor appellant geschikt te achten functies.

5.3.

Uit 5.1 en 5.2 volgt dat de rechtbank besluit 1 terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet en uitspraak 1 moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

6. In dit geding bestaat er geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Het hoger beroep tegen uitspraak 2, het geding 12/2490

7.1.

Uit 5.1 tot en met 5.3 volgt dat aan appellant over de periode van 28 juli 2010 tot

1 juni 2011 onverschuldigd voorschotten op grond van de Wet WIA tot een bedrag van

€ 15.844,90 bruto zijn betaald.

7.2.

Bij besluit 2 heeft het Uwv zijn standpunt gehandhaafd dat er sprake is van een verplichting om de ten onrechte betaalde voorschotten terug te vorderen, behoudens dat in geval van een dringende reden van terugvordering kan worden afgezien. Een dergelijk standpunt verdraagt zich niet met het per 1 juli 2009 gewijzigde wettelijk stelsel, waarbij de terugvordering van in het kader van de Wet WIA verstrekte voorschotten wordt beheerst door artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat met besluit 2 bij de terugvordering een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb had moeten plaatsvinden. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 8 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:12.

7.3.

Bij brief van 4 maart 2014 heeft het Uwv het besluit tot terugvordering nader onderbouwd met inachtneming van voornoemde uitspraak van de Raad van 8 januari 2014. Aan de brief van 4 maart 2014 wordt het volgende ontleend:

“UWV heeft besloten voor alle zaken waarin voorschotten op WIA-uitkering worden teruggevorderd en waarbij de datum van het primaire terugvorderingsbesluit ligt tussen 1 juli 2009 en 1 januari 2013, wederom het oude beleid van vóór de Wet BMTI (per 1 augustus 1996) toe te passen. Dat beleid was neergelegd in de circulaire van 28-9-1992, nr C820, van de Federatie van Bedrijfsverenigingen. Op grond van dat beleid was de bedrijfsvereniging, thans het UWV, bevoegd de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen, indien op grond van één van de SV-wetten onverschuldigd is betaald wegens toedoen (de

a-grond) dan wel indien het redelijkerwijs duidelijk is geweest dat onverschuldigd werd betaald (b-grond). Onder “toedoen” wordt - kort samengevat - verstaan dat de onverschuldigde "betaling van voorschotten het gevolg is van overtreden van de informatieplicht van betrokkene. Gemakshalve worden de overige situaties geschaard onder “redelijkerwijs duidelijk”. Of sprake is van redelijkerwijs duidelijk situatie, moet van geval tot geval worden beoordeeld, waarbij onder andere de door UWV verstrekte informatie over het recht op en de hoogte van het voorschot een rol speelt. In afwachting van de definitieve beslissing over het recht op een

WIA-uitkering, werd aan betrokkene, met besluit van 13 januari 2011, voorschotten toegekend van bruto € 1.535,94 per maand. Ook staat in dit besluit aangegeven, dat indien betrokkene geen recht heeft op een WIA-uitkering, dan dient hij de voorschotten terug te betalen. Met het besluit van 1 juni 2011 werd betrokkene meegedeeld dat hij niet in aanmerking werd gebracht voor een WIA-uitkering omdat hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Tevens werd hem kenbaar gemaakt dat de betaling van de voorschotten werd gestopt per 1 juni 2011 en dat hij onverschuldigd betaalde bedrag aan voorschotten van € 15.844,90 moet terugbetalen. Hierover zou hij nader bericht krijgen. In aansluiting op de aankondiging van 1 juni 2011, werd - met het besluit van 9 augustus 2011 - het onverschuldigd betaalde bedrag van € 15.844,90 van betrokkene teruggevorderd. Gelet op de informatieverstrekking aan betrokkene over de toekenning en de mogelijke terugbetaling van de voorschotten, zijn wij van oordeel dat op de juiste gronden werd besloten om het bedrag van € 15.844,90 van betrokkene terug te vorderen."

7.4.

Met het in 7.3 weergegeven beleid blijft het Uwv binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Uitgangspunt van dit beleid is dat het Uwv niet tot terugvorderen overgaat als de betrokkene zijn informatieplicht is nagekomen en voorts het hem redelijkerwijs niet duidelijk is geweest dat onverschuldigd werd betaald.

7.5.

De vraag of het Uwv op juiste wijze dit beleid heeft toegepast in het geval van appellant, beantwoordt de Raad bevestigend. Met het besluit van 13 januari 2011 zijn voorschotten toegekend, waarbij expliciet is meegedeeld dat als appellant geen recht heeft op een Wet WIA-uitkering hij de voorschotten moet terugbetalen. Het had appellant dan ook redelijkerwijs duidelijk moeten zijn (geweest) dat als de aanvraag om een Wet WIA-uitkering zou worden afgewezen, de voorschotten onverschuldigd zouden zijn betaald. Appellant heeft dit niet betwist, maar er - slechts - op gewezen dat het Uwv eerder een besluit had moeten nemen over zijn aanspraak op een Wet WIA-uitkering, zodat hiermee de financiële risico’s voor hem hadden kunnen worden beperkt. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Zoals het Uwv terecht bij het verweerschrift heeft opgemerkt, werd de behandeling van de aanvraag om Wet WIA-uitkering vertraagd omdat appellant niet op de geplande spreekuren van 27 juli en

8 september 2010 was verschenen. Eerst op 11 januari 2011 heeft hij aan een hernieuwde oproep van de verzekeringsarts gevolg gegeven en zijn hem naar aanleiding van zijn aanvraag bij het besluit van 13 januari 2011 met terugwerkende kracht per 28 juli 2010 voorschotten verleend. Appellant heeft tegen het verweer van het Uwv niets aangevoerd. De omstandigheden van appellant in ogenschouw nemend is de Raad dan ook van oordeel dat ten aanzien van appellant niet gezegd kan worden dat het Uwv in redelijkheid niet tot zijn beslissing tot terugvordering heeft kunnen komen.

7.6.

Uit 7.1 tot en met 7.5 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat uitspraak 2 moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt het beroep gegrond verklaard en besluit 2 vernietigd vanwege strijd met artikel 4:95, vierde lid, in verbinding met artikel 3:4 van de Awb. Nu het Uwv bij brief van 4 maart 2014 in dit geval alsnog op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan zijn bevoegdheid tot terugvordering, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2 geheel in stand blijven. Het verzoek om schadevergoeding moet daarom worden afgewezen.

8. Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 974,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 487,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.461,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

In het geding 12/2489

- bevestigt uitspraak 1;

In het geding 12/2490

- vernietigt de aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt besluit 2 van 9 november 2011;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 2 in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een totaalbedrag van € 1.461,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal €156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en

C.J.W. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.R. Ravenstein

JS