Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3839

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
11-7544 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Awijzing verzoek om uitstel wegens te late indiening hiervan. Herziening WAO en WAZ uitkering. De Raad komt tot de slotsom dat de rechtbank ten aanzien van de WAO-uitkering terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag berust en ten aanzien van de WAZ-uitkering terecht heeft geoordeeld dat bij het bestreden besluit het Uwv er in geslaagd is buiten twijfel te stellen dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 september 2006 voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak dan die per 19 februari 2004. Ook onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat het Uwv met de beslissing tot verlaging van de WAO-uitkering per 28 december 2010 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% niet gehandeld heeft in strijd met het verbod van reformatio in peius.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

11/7544 WAZ

Datum uitspraak: 21 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 november 2011, 10/3596 WAZ (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft dr. P.L.I. Dellemijn, neuroloog, verzocht appellant te onderzoeken en verslag te doen van zijn bevindingen. Op 10 mei 2014 heeft deze deskundige gerapporteerd. Partijen hebben een schriftelijke reactie op dit rapport ingezonden.

Bij faxbericht van 19 augustus 2014 heeft mr. S.W.R. Polman namens appellant gemotiveerd om uitstel van de op 29 augustus 2014 geplande zitting verzocht. Bij brief van

22 augustus 2014 is dat verzoek door de Raad afgewezen, omdat het te laat is gedaan. Bij faxbericht van 25 augustus 2014 heeft mr. Polman het verzoek om uitstel herhaald. Bij brief van 26 augustus 2014 is dit verzoek wederom afgewezen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Polman. Mr. Polman heeft wederom om uitstel van de zitting verzocht. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het ter zitting herhaalde verzoek om uitstel van het onderzoek ter zitting dient niet gehonoreerd te worden. Ingevolge artikel 16, tweede en derde lid, van de Procesregeling bestuursrechtelijke colleges 2006 moet een verzoek om uitstel van de behandeling ter zitting zo spoedig mogelijk schriftelijk worden ingediend en wordt het slechts in uitzonderlijke omstandigheden toegewezen. Nu de uitnodiging voor de zitting is verzonden op 23 juli 2014 en het eerste uitstelverzoek is gedaan op 19 augustus 2014 moet worden geoordeeld dat het verzoek niet zo spoedig mogelijk is ingediend, terwijl evenmin van uitzonderlijke omstandigheden is gebleken.

1.2.

De Raad gaat dan ook over tot een inhoudelijke beoordeling van het geding.

2.1.

Appellant is op 20 februari 2003 wegens psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig ondernemer. Met ingang van 19 februari 2004 zijn hem een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, en een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, toegekend.

2.2.

Op 6 december 2009 heeft appellant zich toegenomen, volledig arbeidsongeschikt gemeld vanwege zware clusterhoofdpijn. Voor zover in dit geding van belang heeft het Uwv bij besluit van 17 februari 2011 (bestreden besluit), na bezwaar, de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WAZ van 1 september 2006 tot 6 december 2010 vastgesteld op - onveranderd - 25 tot 35% en de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WAO van 29 september 2006 tot 4 januari 2010 en met ingang van 28 december 2010 vastgesteld op 65 tot 80%.

2.3.

Voor de onderbouwing van het bestreden besluit wordt aan de aangevallen uitspraak het

volgende ontleend, waar voor eiser, verweerder en bestreden besluit III moet worden gelezen

onderscheidenlijk appellant, het Uwv en het bestreden besluit:

“3.1. (…). De eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet volgens de bezwaarverzekeringsarts arbitrair worden vastgesteld op 1 september 2006. Ten aanzien van de WAZ-uitkering heeft verweerder overwogen dat de toename van eisers klachten niet voortkomt uit dezelfde ziekteoorzaak, zodat het verleggen van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag geen gevolgen heeft voor de WAZ-uitkering. Op 1 september 2006 werd de WAZ-uitkering namelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en was eiser niet verzekerd voor de restcapaciteit. Ingevolge artikel 13 van de WAZ vindt in dat geval geen herziening plaats. Verweerder heeft het bezwaar, voor zover gericht tegen de WAZ-uitkering, onder wijziging van de motivering ongegrond verklaard. Ten aanzien van de WAO-uitkering heeft verweerder overwogen dat deze per 1 september 2006 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Op grond van de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft verweerder de uitkering per 29 september 2006 (vier weken na 1 september 2006) verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Verweerder heeft vervolgens bij het primaire besluit II de WAO-uitkering met ingang van 4 januari 2010 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Naderhand is gebleken dat dit besluit onjuist is en dat de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden vastgesteld op 65 tot 80%. Nu verweerder niet ten nadele van eiser mag terugkomen op de toekenning per 4 januari 2010 heeft verweerder de WAO-uitkering per 28 december 2010 (twee maanden en een dag na de datum van het verweerschrift waarbij de verlaging is aangekondigd) verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. (…).”

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Ten aanzien van de WAO-uitkering heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag berust. Anders dan appellant heeft aangevoerd, acht de rechtbank de verlaging van de WAO-uitkering per

28 december 2010 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% niet in strijd met de rechtszekerheid. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van

15 juli 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9802) is de verlaging van een WAO-uitkering met ingang van een toekomende datum niet in strijd met het verbod van reformatio in peius, omdat het Uwv ook los van het ingediende bezwaar bevoegd was de WAO-uitkering van appellant per een toekomende datum te verlagen op de grond dat hij minder arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO.

3.2.

Ten aanzien van de WAZ-uitkering is het Uwv, gelet op de aan de besluitvorming ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapporten, naar het oordeel van de rechtbank er in geslaagd buiten twijfel te stellen dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid per

1 september 2006 voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak dan die per 19 februari 2004.

4.1.

Het hoger beroep van appellant keert zich tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij door de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Appellant heeft aangevoerd dat naast de aanpassingsstoornis de clusterhoofdpijn hem in 2004 al parten speelde. Vanaf 1 september 2006 is hij op medische gronden volledig arbeidsongeschikt vanwege dezelfde ziekteoorzaak. De clusterhoofdpijn en de gevolgen daarvan, onder meer vanwege het medicijngebruik, verhinderen hem aan het werk te gaan. Appellant heeft verzocht de WAZ-uitkering met ingang van 31 augustus 2007 te verhogen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant heeft voorts verzocht de mate van arbeidsongeschiktheid voor de WAO vanaf september 2006 vast te stellen op 80 tot 100% en de verlaging van de WAO-uitkering met ingang van 28 december 2010 ongedaan te maken. Daarbij heeft hij wederom aangevoerd dat de verlaging van zijn WAO-uitkering met ingang van 28 december 2010 in strijd is met het verbod van reformatio in peius.

4.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op grond van de WAO naar 65 tot 80% gedurende de periodes van 29 september 2006 tot 4 januari 2010 en vanaf 28 december 2010 en op grond van de WAZ naar 25 tot 35% gedurende de periode van 1 september 2006 tot 6 december 2010. Aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WAO ligt het standpunt ten grondslag dat appellant gedurende de genoemde periodes met inachtneming van zijn medische beperkingen, vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 7 oktober 2010, geschikt is voor de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies. Aan de (ongewijzigde) vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WAZ ligt het standpunt ten grondslag dat de toename van de arbeidsongeschiktheid niet is voortgekomen uit dezelfde ziekteoorzaak. Het Uwv heeft zijn standpunten gebaseerd op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 14 juni 2010, aangevuld bij rapporten van

7 oktober 2010 en 6 januari 2011, en het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van

13 oktober 2010, aangevuld bij rapport van 11 januari 2011. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat van toename van de clusterhoofdpijn geen sprake is. De clusterhoofdpijn is aanwezig vanaf 1981 en daarmee heeft appellant ook altijd gefunctioneerd. Daarnaast is appellant bij de beoordeling per einde wachttijd in 2004 niet beperkt vanwege clusterhoofdpijn.

5.2.1.

De Raad heeft ten behoeve van zijn oordeelsvorming dr. P.L.I. Dellemijn, neuroloog, als deskundige geraadpleegd. In zijn rapport van 10 mei 2014 komt de deskundige op grond van het door hem ingesteld onderzoek tot de conclusie dat bij appellant ten tijde in geding sprake is van chronisch primaire clusterhoofdpijn, die behandeld werd met Imigran en Isoptin, en vermoedelijk tryptaan-afhankelijke hoofdpijn.

5.2.2.

Met betrekking tot de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid voor de WAO van 29 september 2006 tot 4 januari 2010 en vanaf 28 december 2010 acht de deskundige het niet aannemelijk dat appellant als gevolg van de hoge doseringen Imigran en Isoptin vermoeidheidsklachten ondervond die door appellant worden getypeerd als een beperking en door hem omschreven als een verminderde inspanningstolerantie bij zware fysieke bezigheden. De deskundige wijt de vermoeidheid niet aan een oorzaak op zijn vakgebied. Hij kan bij appellant geen beperkingen vaststellen. Appellant heeft ook tijdens zijn clusterhoofdpijnaanvallen gewerkt. Op grond van de medische wetenschappelijke opvattingen neemt de deskundige aan dat appellant clusterhoofdpijn heeft en dat hij tijdens een aanval arbeidsongeschikt is. Het optreden van aanvallen is onvoorspelbaar; er bestaan geen (wetenschappelijk aangetoonde) arbeidsomstandigheden die deze hoofdpijnaanvallen opwekken. Volgens de deskundige voldoet de FML van 7 oktober 2010 ruimschoots aan de objectiveerbare beperkingen.

5.2.3.

Met betrekking tot de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de WAZ gedurende de periode van 1 september 2006 tot 6 december 2010 heeft de deskundige overwogen dat de toename van vermoeidheid veroorzaakt werd door een verminderde fysieke inspanningstolerantie, wat een andere oorzaak is dan de aanpassingsstoornis op grond waarvan de WAZ werd toegekend. Hij verenigt zich met het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat de toename van de arbeidsongeschiktheid met ingang van 1 september 2006 voortkomt uit een andere oorzaak dan die waarvoor de

WAZ-uitkering met ingang van 19 februari 2004 is toegekend.

5.2.4.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn reactie van 3 juni 2014 te kennen gegeven de visie van de deskundige te delen dat appellant zijn werkzaamheden op onvoorspelbare tijden moet kunnen onderbreken om zich te injecteren met Imigran. Dat appellant op sommige dagen veel korte werkonderbrekingen heeft voor het gebruik van Imigran wil niet zeggen dat hij op een dag niet gemiddeld tenminste acht uur kan werken.

5.2.5.

Appellant heeft in zijn reactie van 17 juni 2014 te kennen gegeven - kort

samengevat - het niet op alle onderdelen eens te zijn met het medisch oordeel van de deskundige.

5.2.6.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent.

5.2.7.

De reactie van appellant van 17 juni 2014 geeft geen aanleiding het rapport van de deskundige niet te volgen. Anders dan appellant ter zitting heeft aangevoerd, heeft de deskundige bij de beantwoording van de vragen het standpunt van appellant ten aanzien van zijn medicijngebruik alsmede de daarover door appellant verstrekte gegevens als uitgangspunt genomen. De Raad wijst in dit verband in het bijzonder op blz. 22, tweede alinea, bij vraag 2b, van het rapport. De bij deze reactie gevoegde verklaring van de behandelend neuroloog

L.J.M.M. Mulder van 22 mei 2012 bevond zich reeds onder de gedingstukken, waarvan de deskundige kennis heeft genomen. Nu voorts appellant geen andere objectief medische gegevens in geding heeft gebracht die afbreuk doen aan de bevindingen en conclusies van de deskundige, bestaat er geen aanleiding om de voor appellant ten tijde hier in geding geldende belastbaarheid, zoals vastgelegd in de FML van 7 oktober 2010, voor onjuist te houden. Evenmin bestaat er aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat de toename van de arbeidsongeschiktheid met ingang van

1 september 2006 voortkomt uit een andere oorzaak dan die waarvoor de WAZ-uitkering met ingang van 19 februari 2004 is toegekend.

5.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 7 oktober 2010 moet appellant in staat geacht worden de werkzaamheden in de voor hem door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies te verrichten. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport van 13 oktober 2010 in voldoende mate inzichtelijk gemaakt dat de belasting van de functies in overeenstemming is met de FML. In zijn rapport van 11 juni 2014 heeft hij toereikend gemotiveerd dat bij alle geselecteerde functies het werk op onvoorspelbare tijden kan worden onderbroken.

5.4.

De Raad komt tot de slotsom dat de rechtbank ten aanzien van de WAO-uitkering terecht heeft geoordeeld dat het bestreden besluit op een voldoende medische en arbeidskundige grondslag berust en ten aanzien van de WAZ-uitkering terecht heeft geoordeeld dat bij het bestreden besluit het Uwv er in geslaagd is buiten twijfel te stellen dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 september 2006 voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak dan die per 19 februari 2004. Ook onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat het Uwv met de beslissing tot verlaging van de WAO-uitkering per 28 december 2010 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% niet gehandeld heeft in strijd met het verbod van reformatio in peius.

5.5.

Uit 5.1 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en A.I. van der Kris en

C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) J.R. Ravenstein

ew