Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13-2587 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Wubo-uitkering berust op goede gronden. Het enkel vermelden van seksueel misbruik tijdens de Japanse bezetting acht verweerder onvoldoende voor het instellen van een nader medisch onderzoek ter verdere verificatie. Appellante heeft in de loop der tijd verschillende en onderling tegenstrijdige verklaringen afgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2587 WUBO

Datum uitspraak: 20 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 april 2013, kenmerk BZ01564910 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2014. Daar is appellante niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in 1935 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In 1988 en 1995 heeft zij bij de rechtsvoorgangers van verweerder verzocht om aanspraken op grond van de Wubo. Deze aanvragen zijn afgewezen omdat niet is gebleken dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo.

1.2.

In 1999 en 2001 heeft appellante verzocht de eerdere afwijzingen te herzien. Beide verzoeken zijn door verweerder afgewezen. Het beroep tegen de afwijzing van het in 2001 ingediende verzoek is door de Raad bij uitspraak van 14 augustus 2003, nummer 02/2358 WUBO, ongegrond verklaard. In die uitspraak is onder meer overwogen dat het door appellante gestelde seksueel misbruik door een Indonesiër tijdens de Bersiap-periode al bij de beoordeling van de aanvraag van 1999 is betrokken en dat die gebeurtenis - hoe ernstig het vergrijp ook is geweest - niet onder de werking van de Wubo kan worden gebracht.

1.3.

Appellante heeft in 2006 en 2011 opnieuw verzocht de eerdere afwijzende besluiten te herzien. Beide verzoeken zijn afgewezen. De tegen deze afwijzingen ingestelde beroepen zijn ongegrond verklaard bij uitspraak van 26 juli 2007, nummer 06/5832 WUBO, respectievelijk van 12 juli 2012, nummer 11/3994 WUBO. In laatstgenoemde uitspraak is opgemerkt dat appellante voor zover zij ter zitting heeft verklaard dat ook tijdens de Japanse bezetting seksueel misbruik heeft plaatsgevonden, zich opnieuw met een aanvraag tot verweerder moet wenden.

1.4.

Vervolgens heeft appellante zich in juni 2012 met een hernieuwde aanvraag tot verweerder gewend waarbij zij melding maakt van seksueel misbruik tijdens de Japanse bezetting. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 29 oktober 2012. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de omstandigheden die door appellante worden vermeld te inconsistent zijn om te kunnen oordelen dat het gestelde misbruik onder de Wubo kan worden gebracht.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Bij een mogelijk onder de Wubo vallend seksueel misbruik pleegt verweerder nadere verificatie te verrichten door middel van een gericht medisch onderzoek. Het enkel vermelden van seksueel misbruik door een betrokkene acht verweerder onvoldoende voor het instellen van een dergelijk medisch onderzoek. Een betrokkene dient ook voldoende concrete en consistente informatie te verschaffen over de omstandigheden waaronder de gebeurtenis heeft plaatsgevonden. De Raad acht die benadering juist.

2.2.

In het geval van appellante moet ook de Raad vaststellen dat appellante in de loop der tijd verschillende en onderling tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo noemde appellante bij de aanvragen van 1988 en 1995 geen seksueel misbruik. In 1999 en 2001 noemde appellante een misbruik tijdens de Bersiap-periode. Appellante zou ook door haar moeder naar het ziekenhuis zijn gebracht om zich te laten onderzoeken op een mogelijke zwangerschap. Dat lijkt weer haaks te staan op onderhavige aanvraag. Bij die aanvraag stelt appellante dat zij in de kampong bij de baboe ’s nachts is lastiggevallen (en onder meer werd betast).Vervolgens heeft appellante in bezwaar gesteld dat zij in een groot huis waar meerdere Japanse militairen verbleven, vermoedelijk enkele weken, in ieder geval meerdere nachten, opgesloten heeft gezeten en is misbruikt. In bezwaar is tijdens de mondelinge toelichting de gebeurtenis in de kampong weer ontkend. Benadrukt is dat (alleen) een misbruik door een Japanner heeft plaatsgevonden in 1942/1943. Al met al zijn er te veel onduidelijkheden ontstaan om te kunnen concluderen dat er sprake is geweest van seksueel misbruik dat onder de werking van de Wubo kan worden gebracht. Daarmee is niet gezegd dat het misbruik niet heeft plaatsgevonden. Er ontbreekt echter wel een duidelijk tijdsbeeld waarin de gebeurtenis valt te plaatsen. Het instellen van een nader medisch onderzoek ter verdere verificatie heeft verweerder dan ook terecht achterwege gelaten.

2.3.

Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden en het beroep van appellante ongegrond moet worden verklaard.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2014.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) E. Heemsbergen

HD