Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3833

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13-1315 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. De Raad is met de rechtbank en op grond van gelijke overwegingen van oordeel dat appellante niet is geschaad in haar belangen door de wijze waarop de uitvoering van de hoorplicht heeft plaatsgevonden, zodat de rechtbank terecht hierin geen grond heeft gezien tot vernietiging van het bestreden besluit. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1315 WIA

Datum uitspraak: 31 oktober 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

31 januari 2013, 11/3706 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Bakker, kantoorgenoot van mr. Staal. Het Uwv heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was werkzaam als schoonmaakster voor 36 uur per week toen zij zich met ingang van 5 mei 2009 ziek meldde met onder meer heupklachten. Daarnaast was sprake van spanningsklachten.

2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 1 maart 2011 onderzocht door een verzekeringsarts. In het rapport van 15 maart 2011 heeft de verzekeringsarts vermeld dat appellante door pijnklachten van het gehele bewegingsapparaat, vooral in linker heup/been en enigszins rechter arm, aangewezen is op fysiek niet al te inspannend werk waartoe diverse lichte tot matige beperkingen zijn gesteld. Nadat de verzekeringsarts de beperkingen van appellante had neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), heeft een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden, waarbij werd vastgesteld dat bij functieduiding het loonverlies 16,70% was. Hierna stelde het Uwv bij besluit van
28 april 2011 vast dat voor appellante met ingang van 3 mei 2011 geen recht was ontstaan op een WIA-uitkering.

3. In de bezwaarprocedure heeft op 30 juni 2011 een hoorzitting, in het bijzijn van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, plaatsgevonden. De hoorzitting is op enig moment afgebroken vanwege het afgaan van het ontruimingssignaal. Later die dag is er, zo blijkt uit een formulier telefonisch contact, met appellante gesproken en is onder meer de verdere procedure toegelicht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van de bevindingen uit dossierstudie en de van appellante op de hoorzitting verkregen informatie aanleiding gezien om in de FML enkele aanvullende beperkingen op te nemen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 21 juli 2011, rekening houdende met de aangepaste FML van 30 juni 2011, het loonverlies berekend op 15,2%. Vervolgens heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 28 april 2011 bij besluit van 22 juli 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4.1.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante aangevoerd dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Ter onderbouwing van dat standpunt is aanvullende medische informatie in het geding gebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij rapport van 3 december 2012 op de overgelegde stukken gereageerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 5 december 2012 gemotiveerd waarom de geduide functies, ook ten aanzien van de totaalbelasting, voor appellante passend te achten zijn.

4.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft allereerst geoordeeld dat niet gebleken is dat appellante, door de gang van zaken rond de hoorzitting, in haar belangen is geschaad. Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat het Uwv heeft toegelicht dat de hoorzitting 15 minuten heeft geduurd, dat de hoorzitting zich in een afrondende fase bevond toen hij werd beƫindigd en dat appellante telefonisch heeft verklaard dat zij een tweede hoorzitting niet nodig vond. Voorts heeft appellante in beroep niet aangegeven wat zij tijdens de hoorzitting nog naar voren had willen brengen en heeft zij, hetgeen het Uwv daarover heeft gesteld, niet weersproken. De rechtbank heeft vervolgens de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en in hetgeen namens appellante is aangevoerd geen reden gezien anders te oordelen. Ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is onderschreven.

5. In hoger beroep heeft appellante in essentie gelijke gronden als in beroep aangevoerd. Samengevat stelt appellante zich op het standpunt dat het Uwv gehandeld heeft in strijd met de hoorplicht door niet een tweede hoorzitting te houden. Voorts stelt appellante dat haar beperkingen zijn onderschat, dat ten onrechte geen duurbeperking is aangenomen en dat de totaalbelasting binnen de geduide functies haar belastbaarheid overschrijdt en dat zij om die reden niet in staat is de geduide functies te verrichten.

6.1.

De Raad is met de rechtbank en op grond van gelijke overwegingen van oordeel dat appellante niet is geschaad in haar belangen door de wijze waarop de uitvoering van de hoorplicht heeft plaatsgevonden, zodat de rechtbank terecht hierin geen grond heeft gezien tot vernietiging van het bestreden besluit.

6.2.

Ook ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit wordt geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. In dit kader wordt van belang geacht dat appellante door de primaire verzekeringsarts op het spreekuur zowel lichamelijk als psychisch is onderzocht. Naar aanleiding van de bij dit onderzoek opgedane bevindingen zijn, vanwege de door appellante geuite klachten ten aanzien van het bewegingsapparaat, diverse beperkingen aangenomen. Vervolgens is appellante in bezwaar op de hoorzitting gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Ten tijde van die hoorzitting heeft appellante voorts klachten ten aanzien van incontinentie, duizeligheid en medicijngebruik aangegeven. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat deze arts deze klachten bij zijn beoordeling betrokken heeft en dat deze klachten tevens geleid hebben tot het aanscherpen van de eerder vastgestelde FML. In beroep heeft deze arts tot slot inzichtelijk gemotiveerd waarom nader overgelegde medische gegevens geen aanleiding zijn om appellante meer beperkt te achten. Nu namens appellante in hoger beroep geen medische gegevens zijn overgelegd waaruit blijkt dat zij per de datum in geding meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen, zijn er onvoldoende aanknopingspunten om de door het Uwv vastgestelde beperkingen onjuist te achten.

6.3.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen wordt, onder verwijzing naar de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van onder meer 5 december 2012 en 9 juli 2013, geoordeeld dat de (totaal)belasting van de geduide functies binnen de voor appellante gestelde belastbaarheid blijft.

6.4.

Uit hetgeen is overwogen onder 6.1 tot en met 6.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Hieruit volgt dat op grond van

artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

7. Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2014.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) S. Aaliouli

CVG