Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3832

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13-5125 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om functieonderhoud. De korpschef wordt niet gevolgd in het standpunt dat de grote omvang van het bureau in aard en essentie geen verandering met zich brengt in de feitelijk verrichte werkzaamheden van betrokkene en dus niet als een wezenlijke afwijking kan worden gekwalificeerd. Daarbij is van belang dat de omvang van het bureau in de functietypering juist als niveaubepalend element is benoemd. De korpschef wordt ook niet gevolgd in het standpunt dat betrokkene geen eindverantwoordelijkheid heeft in haar functie. Het betoog van betrokkene dat de korpschef in het kader van de nieuw te nemen beslissing uitsluitend een functiebeschrijving uit het bestaande functiehuis heeft mogen selecteren, stuit af op hetgeen de Raad in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2014:2198 heeft overwogen. Beroep van betrokkene tegen het nadere besluit faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/5125 AW, 13/5458 AW, 13/6451 AW

Datum uitspraak: 20 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 augustus 2013, 12/2239 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland (korpsbeheerder), ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

De korpschef heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.A. Billiet-de Jonge hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft de korpschef op 25 september 2013 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2014. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Billiet-de Jonge. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Burghout en A.M.J. Bertelink.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene is werkzaam in de functie [naam functie A.]. Deze functie is gewaardeerd in salarisschaal 12.

1.2.

Op 20 april 2011 heeft de korpschef het voornemen kenbaar gemaakt om de functie van [naam functie A.] aan te merken als uitgangspositie van betrokkene voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP). Betrokkene heeft naar aanleiding daarvan een verzoek om functieonderhoud gedaan.

1.3.

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 april 2012 (bestreden besluit).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de korpschef opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank heeft betrokkene gevolgd in de beroepsgrond dat zij leiding geeft aan een bureau van 232 fte, wat wezenlijk afwijkend is van de functiebeschrijving van betrokkene, waarin een omvang van meer dan 60 fte wordt genoemd. Dat verschil is volgens de rechtbank te groot om niet te kunnen spreken van een wezenlijke afwijking van de omschrijving in de functiebeschrijving. Bovendien heeft de korpschef in het oordeel niet betrokken dat betrokkene eindverantwoordelijk is voor deze groep, hetgeen door de korpschef ook niet wordt betwist. Niet is gemotiveerd waarom het dragen van eindverantwoordelijkheid voor een groep van meer dan 200 fte niet wezenlijk afwijkt van het dragen van eindverantwoordelijkheid voor een groep van meer dan 60 fte.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak

3.1.

De korpschef wordt niet gevolgd in het standpunt dat de grote omvang van het bureau in aard en essentie geen verandering met zich brengt in de feitelijk verrichte werkzaamheden van betrokkene en dus niet als een wezenlijke afwijking kan worden gekwalificeerd. Daarbij acht de Raad van belang dat de omvang van het bureau in de functietypering juist als niveaubepalend element is benoemd. Bovendien heeft de korpschef het nodig geacht om een geheel nieuwe functietypering op te maken waarbij de omvang van het bureau is aangepast. Dat de omvang van het bureau van belang is, blijkt ook uit het gegeven dat in verband hiermee voor betrokkene als bureauchef een afwijkend en ruimer mandaat is vastgesteld.

3.2.

De korpschef wordt ook niet gevolgd in het standpunt dat betrokkene geen eindverantwoordelijkheid heeft in haar functie. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat daarvan sprake is. Dat betrokkene de eindverantwoordelijkheid heeft voor de groep waaraan zij leiding geeft, blijkt niet alleen uit de door de korpschef overgelegde mandaten, maar wordt ook tot uitdrukking gebracht in het element ‘span of control’.

3.3.

Het betoog van betrokkene dat de korpschef in het kader van de nieuw te nemen beslissing uitsluitend een functiebeschrijving uit het bestaande functiehuis heeft mogen selecteren, stuit af op hetgeen de Raad in zijn uitspraak van 26 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2198 (overwegingen 4.9.1 tot en met 4.9.4) heeft overwogen. Het betoog slaagt niet.

4. De hoger beroepen van de korpschef en betrokkene slagen niet en de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

Het nadere besluit

5. Betrokkene heeft zich gekeerd tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 25 september 2013. De Raad zal dit besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrekken.

5.1.

Bij besluit van 25 september 2013 heeft de korpschef het besluit van 21 oktober 2011 herroepen en de nieuwe functietypering van Tactisch Leidinggevende Recherche Expertise (RE) met ingang van 1 december 2010 op betrokkene van toepassing verklaard. Volgens de korpschef is deze functietypering het meest passend, omdat de genoemde werkzaamheden terugkomen in deze functie bij de niveau-indicatoren ‘Span of control’: “geeft op tactisch gebied leiding aan meerdere groepen met een verscheidenheid aan specialismen, waaronder operationeel leidinggevenden, projectleiders en (project)medewerkers. Te denken valt aan een omvang van 200 fte of meer”.

5.2.

Betrokkene heeft aangevoerd dat de korpschef met het besluit van 25 september 2013 geen uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak door een nieuwe functietypering op haar van toepassing te verklaren en niet een functie uit het functiehuis. Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen onder 3.3 kan deze beroepsgrond niet slagen. Het beroep wordt dan ook ongegrond verklaard.

5.3.

Voor zover betrokkene in het kader van dit beroep de overige aspecten van de functiebeschrijving opnieuw ter discussie wenst te stellen, merkt de Raad op dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak de beroepsgronden van betrokkene daartegen gemotiveerd heeft verworpen. Nu betrokkene zich daartegen in hoger beroep niet heeft gekeerd, komt het oordeel daarover van de rechtbank met deze uitspraak in rechte vast te staan. Dit betekent dat die aspecten in het kader van het beroep tegen het nadere besluit niet meer aan de orde kunnen komen.

6. Er is aanleiding de korpschef te veroordelen in de proceskosten van betrokkene.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 25 september 2013 ongegrond;

- bepaalt dat van de korpschef een griffierecht van € 478,- wordt geheven;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en E.J.M. Heijs en S.C. Stuldreher als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2014.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) T.A. Meijering

HD