Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3823

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13-4951 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/4951 WIA

Datum uitspraak: 14 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 augustus 2013, 13/78 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 16 mei 2012 heeft het Uwv geweigerd appellante per 28 juni 2012 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht.

1.2.

Bij besluit van 30 november 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar gericht tegen het besluit van 16 mei 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij van mening is dat haar medische klachten door het Uwv onvoldoende op waarde zijn geschat.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad oordeelt, met de rechtbank, dat er geen reden is de resultaten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voor onjuist te houden. Uit het rapport van

29 november 2012 blijkt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de bevindingen van de verzekeringsarts, brieven van de huisarts van 22 juni 2012 en 10 september 2012 en informatie uit het diabetesboekje van appellante bij zijn herbeoordeling heeft betrokken. Ook heeft hij kennis genomen van informatie van de gynaecoloog en psychiater uit 2010 en van de internist uit 2011. Daarnaast heeft hij de hoorzitting bijgewoond en aansluitend appellante zelf lichamelijk en psychisch onderzocht. In de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is volgens hem voldoende rekening gehouden met de psychische en diabetes gerelateerde beperkingen van appellante. Op psychisch gebied gaat het om restklachten van een depressie en paniekstoornis waardoor er nog sprake is van een verminderde stress-tolerantie. Wat betreft diabetes gaat het om een matig ingestelde DM type 2; dit heeft geen directe consequenties voor de belastbaarheid. Ten aanzien van de pijnklachten concludeert hij dat appellante meer beperkt dient te worden geacht. Om die reden heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan de FML beperkingen toegevoegd met betrekking tot lopen tijdens het werk, traplopen, klimmen, klauteren en staan. Met de urenbeperking van 30 uur per week is volgens hem in voldoende mate rekening gehouden met energetische consequenties van de nog aanwezige lichte/ matige psychische problematiek. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat het Uwv haar medische klachten onvoldoende op waarde heeft geschat. De Raad wijst er op dat appellante in beroep, noch in hoger beroep objectieve medische stukken heeft ingediend waaruit blijkt dat zij op de datum in geding (28 juni 2012) meer of anders beperkt is dan in de FML van 22 november 2012 is weergegeven.

4.3.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 29 november 2012 toegelicht dat door de wijziging in de FML niet alle geduide functies voor appellante nog passend waren, maar dat er voldoende functies overbleven om de schatting van de arbeidsdeskundige in stand te houden. Deze functies zijn voorgelegd aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die ze in medisch opzicht voor appellante geschikt heeft bevonden. Ook de signaleringen op mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van appellante zijn door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd. Met de rechtbank wordt derhalve geoordeeld dat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist is.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2014.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) B. Rikhof

QH