Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3821

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13-6693 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eigenrisicodrager. Re-integratie. Verzoek om informatie met betrekking tot de WW-uitkeringen die zijn toegekend aan de werknemers. Tussen partijen is niet meer in geschil dat in het kader van het eigenrisicodragerschap van appellante alle besluiten van het Uwv met betrekking tot het recht, het geldend maken van het recht, de hoogte of de duur van werkloosheiduitkeringen van ex-werknemers van appellante door het Uwv aan appellante bekend moeten worden gemaakt. De verplichting daartoe vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht en vereist geen voorafgaand verzoek van appellante.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 72a
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen 74
Besluit SUWI
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/5 met annotatie van T.W.J. Wildeboer
RSV 2015/18

Uitspraak

13/6693 WW tot en met 13/6702 WW

Datum uitspraak: 19 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

14 november 2013, 13/2338, 13/2339, 13/2340, 13/2343, 13/2344, 13/2345, 13/2347, 13/2348, 13/2349 en 13/2350 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [plaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

[naam] te [woonplaats]

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft K. Mulder hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Beide partijen hebben nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2014. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visser, mr. R.A. Beers en Th.H.J. Beening. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos en mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is overheidswerkgever als bedoeld in artikel 1, onder i, van de Werkloosheidswet (WW) en daarmee belanghebbende bij besluiten over WW-uitkeringen van haar voormalige werknemers. Het Uwv heeft appellante uit dien hoofde kopieën toegezonden van zijn besluiten tot toekenning van WW-uitkeringen aan haar ex-werknemers [werknemer 1], [werknemer 2], [werknemer 3], [werknemer 4], [werknemer 5], [werknemer 6], [werknemer 7], [werknemer 8], [werknemer 9] en [werknemer 10] tezamen: de werknemers. Verder heeft hij appellante een besluit tot toekenning van een startperiode aan [werknemer 2] toegestuurd.

1.2.

Op grond van artikel 72a, eerste lid aanhef en onder a, van de WW heeft appellante tot taak de inschakeling in de arbeid te bevorderen van personen die uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer met die overheidswerkgever recht hebben op uitkering op grond van hoofdstuk II van de WW (re-integratietaak).

1.3.

Appellante heeft het Uwv bij afzonderlijke, gelijkluidende brieven van 18 oktober 2012 verzocht om haar stukken te doen toekomen met betrekking tot de WW-uitkeringen die zijn toegekend aan de werknemers. Uit de in die verzoeken opgenomen lijst van stukken die appellante wil ontvangen, blijkt dat zij in feite heeft gevraagd om de volledige WW-dossiers van de werknemers. Als motivering heeft appellante gesteld dat zij eigenrisicodrager is en gerechtigd is om te controleren of de werknemers zich houden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de WW.

1.4.

Bij besluiten van 21 en 22 november 2012 heeft het Uwv afwijzend beslist op de in 1.3 omschreven verzoeken om informatie. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Daarin heeft zij aangevoerd dat de door haar gevraagde informatie ook nodig is voor het uitvoeren van haar re-integratietaak. Bij beslissingen op bezwaar van 15 maart 2013 (bestreden besluiten) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat voor de uitvoering van de re-integratietaak door appellante stukken met betrekking tot WW-uitkeringen van ex-werknemers slechts aan haar kunnen worden verstrekt, indien zij noodzakelijk zijn voor de uitoefening van die taak. Volgens het Uwv heeft appellante die noodzaak niet specifiek gemotiveerd. Het Uwv heeft opgemerkt dat een uitzondering geldt voor besluiten waarbij de uitkeringen zijn toegekend en beëindigd, omdat daarmee het begin en het einde van de re-integratietaak worden vastgesteld. Het Uwv heeft hieraan toegevoegd dat appellante die besluiten reeds krijgt omdat zij daarbij belanghebbende is. Omdat het Uwv ten aanzien van zes werknemers nalatig was geweest in het toezenden van kopieën van besluiten over recht, hoogte en duur van de WW-uitkeringen zijn de bezwaren van appellante in de zaken betreffende die werknemers gegrond verklaard en heeft het Uwv de ontbrekende stukken alsnog aan appellante toegezonden. Daaronder bevonden zich ook een besluit tot ontheffing van de sollicitatieplicht gedurende een maand, een brief over de uitbetaling van de WW-uitkering na een gedeeltelijke werkhervatting en een besluit tot omzetting van de WW-uitkering in een voorschot. De bestreden besluiten zijn gebaseerd op de artikelen 72a van de WW, 74 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI) en 5.17 van het Besluit SUWI. In verband met de gegrondverklaring van de bezwaren in de hierboven bedoelde zes zaken heeft het Uwv een vergoeding van de in die zaken in bezwaar gemaakte kosten toegekend van in totaal € 944,-.

2. Appellante heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De rechtbank heeft die beroepen in de zes zaken waarin bij de bestreden besluiten aanvullende stukken zijn toegestuurd, gegrond verklaard en zij heeft die bestreden besluiten bij de aangevallen uitspraak vernietigd voor zover betrekking hebbend op de hoogte van de toegekende vergoeding van de kosten in bezwaar. De rechtbank heeft die kosten vastgesteld op € 1.416,-. Voor het overige zijn die beroepen ongegrond verklaard. De overige vier beroepen zijn ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. De hoger beroepen zijn beperkt tot het inhoudelijke oordeel van de rechtbank over de gegevensverstrekking van het Uwv aan haar ten behoeve van haar re-integratietaak. Appellante heeft haar bij de rechtbank ingenomen standpunt herhaald en gehandhaafd. Appellante heeft primair betoogd dat het voor het uitvoeren van haar re-integratietaak noodzakelijk is dat zij de beschikking heeft over de volledige WW-dossiers, omdat daarin alle informatie die van belang kan zijn voor de re-integratie aanwezig is. Appellante heeft betoogd dat niet alle voormalige werknemers gegevens beschikbaar stellen aan hun oud-werkgever, omdat zij dat niet willen of omdat zij de relevantie ervan voor hun re-integratie niet onderkennen. Subsidiair heeft appellante het standpunt ingenomen dat het Uwv in ieder geval de besluiten die betrekking hebben op het recht, de hoogte en de duur van de uitkeringen aan haar moet verstrekken met het oog op haar uit artikel 72a van de WW voortvloeiende

re-integratietaak.

3.2.

Het Uwv heeft ter zitting naar voren gebracht dat onderscheid moet worden gemaakt tussen de bekendmaking van besluiten aan appellante als belanghebbende en de gegevensverstrekking aan appellante als overheidswerkgever die op grond van artikel 72a van de WW is belast met de re-integratie van haar ex-werknemers, waarop artikel 5.17 van het Besluit SUWI ziet. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Partijen gaan er terecht van uit dat de verplichting tot het bekend maken van op grond van de WW genomen besluiten ten aanzien van haar ex-werknemers moet worden onderscheiden van de verplichting tot verstrekking aan appellante als overheidswerkgever van gegevens ten behoeve van de uitvoering van de op haar rustende re-integratietaak.

4.1.2.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat in het kader van het eigenrisicodragerschap van appellante alle besluiten van het Uwv met betrekking tot het recht, het geldend maken van het recht, de hoogte of de duur van werkloosheiduitkeringen van ex-werknemers van appellante door het Uwv aan appellante bekend moeten worden gemaakt. De verplichting daartoe vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht en vereist geen voorafgaand verzoek van appellante. Ter zitting is gebleken dat het Uwv ook bij de beslissingen op bezwaar niet volledig heeft voldaan aan de hier bedoelde verplichting. Het Uwv heeft toegezegd de hierna genoemde stukken alsnog, door toezending aan de gemachtigde van appellante, aan appellante bekend te maken:

- met betrekking tot werknemer [werknemer 1]: de besluiten over herziening van haar WW-uitkering wegens werkhervatting, de doorbetaling van de WW-uitkering tijdens de periodes van ziekte en voortzetting van de WW-uitkering tijdens vakantie;

- met betrekking tot werknemer [werknemer 4]: het besluit van 21 mei 2012 betreffende de uitkomst van het onderzoek naar diens sollicitatieactiviteiten;

- met betrekking tot werknemer [werknemer 7]: de besluiten over de herziening van de WW-uitkering wegens werkhervatting in de periode van 9 april 2012 tot 18 februari 2013 en de doorbetaling van de WW-uitkering bij ziekte;

- met betrekking tot werknemer [werknemer 8]: de besluiten over herziening van de

WW-uitkering wegens werkhervatting;

- met betrekking tot werknemer [werknemer 10]: het besluit van 3 januari 2013 met betrekking tot de uitkomst van het onderzoek naar diens sollicitatieactiviteiten.

De Raad vertrouwt erop dat het Uwv gevolg geeft aan deze toezegging en voegt daaraan toe dat hij ervan uitgaat dat ook relevante besluiten met betrekking tot het recht, het geldend maken van het recht, de hoogte of de duur van de WW-uitkeringen die na de bestreden besluiten zijn genomen, aan de gemachtigde van appellante worden toegezonden, voor zover dat nog niet is gebeurd.

4.2.

Wat betreft het recht op informatie van appellante ten behoeve van de uitvoering van haar re-integratietaak, waartoe het hoger beroep is beperkt, wordt het volgende overwogen.

4.2.1.

Op grond van artikel 72a van de WW heeft de overheidswerkgever tot taak de inschakeling in de arbeid te bevorderen van een persoon die uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer met die overheidswerkgever recht heeft op uitkering op grond van hoofdstuk II van de WW.

4.2.2.

In artikel 74, eerste lid, van de Wet SUWI is bepaald dat het een ieder is verboden hetgeen hem uit of in verband met enige werkzaamheid bij de uitvoering van deze wet over de persoon of zaken van een ander blijkt of wordt meegedeeld, verder bekend te maken dan voor de uitvoering van de wet noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan.

4.2.3.

Artikel 5.17, eerste lid, van het Besluit SUWI bepaalt dat het Uwv uit de onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde administraties aan overheidswerkgevers als bedoeld in artikel 1, onder i, van de WW kosteloos de gegevens verstrekt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 72a van de WW.

4.3.1.

Uit deze bepalingen in hun onderling verband bezien, volgt dat het bij de gegevensverstrekking in de zin van deze bepalingen, slechts kan gaan om een actuele, lopende verplichting van de overheidswerkgever die de re-integratietaak ter hand heeft genomen. Omdat het gaat om een taak van de overheidswerkgever is het aan hem om onderbouwd te motiveren welke gegevens voor de uitvoering van die taak noodzakelijk zijn. Verder volgt hieruit dat die gegevens slechts op aanvraag kunnen worden verstrekt en dat er ten aanzien van die gegevens geen spontane verstrekkingsverplichting op het Uwv rust. Ten slotte is de gegevensverstrekking op grond van artikel 5.17, eerste lid, van het Besluit SUWI niet geschreven om overheidswerkgevers in staat te stellen het Uwv te controleren op de uitvoering van de aan het Uwv toegewezen wettelijk taken. Het Uwv is dan ook niet bevoegd om appellante voor de uitvoering van een re-integratietaak onderliggende gegevens te verstrekken over de werkloosheidsuitkering van werknemers indien de re-integratietaak ten aanzien van die werknemers al is geëindigd. Voor het verstrekken van gegevens bestaat evenmin een grondslag zolang appellante met de daadwerkelijke uitvoering van de

re-integratietaak ten aanzien van de in artikel 72a, eerste lid, aanhef en onder a, omschreven persoon nog geen aanvang heeft gemaakt.

4.3.2.

Van drie werknemers was de WW-uitkering al geëindigd toen appellante haar in 1.3 weergegeven verzoeken om informatie indiende bij het Uwv. Met betrekking tot die werknemers was appellante ten tijde van haar verzoeken om informatie niet meer belast met een re-integratietaak. In zoverre was het Uwv niet bevoegd om appellante gegevens te verstrekken en heeft hij de verzoeken terecht afgewezen.

4.3.3.

De ten aanzien van de andere werknemers gedane verzoeken om informatie, weergegeven in 1.3, waren gelijkluidend en bevatten geen specifieke motivering van de noodzaak van de verlangde gegevensverstrekking met het oog op de re-integratie. Die

re-integratie was bovendien nog niet daadwerkelijk ter hand genomen. Gezien 4.3.1 brengt dit met zich dat ook die verzoeken om informatie terecht zijn afgewezen door het Uwv.

4.4.

Uit 4.2 tot en met 4.3.3 volgt dat de aangevallen uitspraak in de in overweging 2 bedoelde zaken in aanmerking komt voor bevestiging voor zover aangevochten en in de overige zaken voor een bevestiging van die uitspraak.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten ten aanzien van de werknemers [werknemer 1], [werknemer 2], [werknemer 3], [werknemer 5], [werknemer 8] en [werknemer 9];

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak ten aanzien van de werknemers [werknemer 4],

[werknemer 6], [werknemer 7] en [werknemer 10].

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en

B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) H.J. Dekker

MK