Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:382

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
07-03-2014
Zaaknummer
12-622 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering. Niet duurzaam gescheiden leven. Schending inlichtingenverplichting. Onjuiste wettelijke grondslag. Instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/622 WWB

Datum uitspraak: 11 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 december 2011, 11/2095 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Ede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.G.M. Frerix, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Frerix en [naam tolk] als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en [N.]waren gehuwd en waren sinds 11 juni 1998 gescheiden van tafel en bed. Zij hebben samen kinderen. [N.] ontving sinds 12 november 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. [N.] staat sinds 14 december 1989 ingeschreven op het adres [adres 1.] te [woonplaats]. Appellant staat sinds 11 januari 2002 ingeschreven op het adres [adres 2.] te [woonplaats].

1.2.

Naar aanleiding van een melding op 1 april 2010 dat sprake zou zijn van een gezamenlijke huishouding, hebben fraudepreventiemedewerkers van de afdeling Werk, Inkomen en Zorg van de gemeente Ede op 7 april 2010 een onaangekondigd huisbezoek afgelegd op het adres [adres 1.]. Zij hebben daarbij in de kruipruimte onder de woning van [N.] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Hierin heeft het college aanleiding gezien om de bijstand van [N.] met ingang van 9 april 2010 te beëindigen.

1.3.

De sociale recherche heeft het onderzoek naar de vermeende samenwoning van [N.] en appellant voortgezet. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn buurtbewoners van de adressen [adres 1.] en [adres 2.] gehoord, waarbij een foto van appellant is getoond, en zijn [N.] en appellant verhoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 25 oktober 2010.

1.4.

Op grond van deze onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 27 oktober 2010 de bijstand van [N.] met ingang van 1 mei 2008 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand (en de langdurigheidstoeslag) van appellante teruggevorderd tot een bedrag van

€ 22.887,69.

1.5.

Bij besluit van 28 oktober 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 april 2011 (bestreden besluit), heeft het college de over de periode van 1 mei 2008 tot en met 8 april 2010 voor [N.] gemaakte kosten van bijstand mede van appellant teruggevorderd, op de grond dat appellant en [N.] sinds 1 mei 2008 een gezamenlijke huishouding voeren op het adres [adres 1.] en [N.] daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, aangevoerd dat de verklaringen van de buurtbewoners onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat hij en [N.] niet duurzaam gescheiden leefden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 59, tweede lid, van de WWB is bepaald dat, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de WWB niet is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden.

4.2.

Vaststaat dat appellant en [N.] gedurende de periode van 1 mei 2008 tot en met 8 april 2010 gehuwd waren. Zij waren weliswaar gescheiden van tafel en bed, maar het huwelijk was niet ontbonden. Om vast te stellen of appellant de persoon is als bedoeld in artikel 59, tweede lid, van de WWB is de vraag aan de orde of appellant in die periode duurzaam gescheiden leefde van [N.] en om die reden als ongehuwd in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB moest worden aangemerkt.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.4.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat uit de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche blijkt dat in de periode van 1 mei 2008 tot en met 8 april 2010 appellant en [N.] niet duurzaam gescheiden leefden in voormelde zin. Voor deze conclusie komt doorslaggevende betekenis toe aan de verklaringen die de getuigen [getuige 1.], [getuige 2.] en [getuige 3.] ten overstaan van de sociale recherche hebben afgelegd. Kortgezegd hebben deze buurtbewoners van [adres 1.] verklaard dat zij appellant in de periode tussen het voorjaar van 2008 en april 2010 regelmatig de woning in en uit hebben zien gaan en hem in de tuin aan de achterzijde van de woning aan het werk hebben gezien. De getuigen gingen er daarom van uit dat appellant en [N.] nog steeds een echtpaar waren. De verklaringen, die in de aangevallen uitspraak uitgebreid zijn weergegeven, zijn voldoende concreet en onderling consistent. Bovendien heeft appellant zelf verklaard dat hij regelmatig in het weekend op het adres van [N.] aanwezig was. De stelling van appellant dat het tonen van een foto van een Vietnamese man door de sociale recherche aan de getuigen niet tot de conclusie kan leiden dat de getuigen over appellant hebben verklaard, wordt niet gevolgd. Uit het dossier blijkt namelijk dat de betreffende foto een kopie van een foto van appellant betrof, die appellant heeft overgelegd in verband met de aanvraag van een reisdocument, waarop hij duidelijk staat afgebeeld.

4.5.

Ofschoon appellant en [N.] van 1 mei 2008 tot en met 8 april 2010 niet duurzaam gescheiden leefden, is de verlening van gezinsbijstand niettemin achterwege gebleven omdat [N.] de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Daarmee is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Het college was dus bevoegd de kosten van de ten onrechte aan [N.] verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen.

4.6.

De rechtbank heeft met de toepassing van het criterium duurzaam gescheiden leven onderkend dat het college in het bestreden besluit door toetsing aan het criterium gezamenlijke huishouding een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De rechtbank heeft daaraan ten onrechte niet de conclusie verbonden dat het bestreden besluit op grond van een onjuiste wettelijke grondslag voor vernietiging in aanmerking komt. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Uit 4.4 en 4.5 volgt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.

4.7.

Voor de gevraagde veroordeling tot schadevergoeding (wettelijke rente) bestaat geen ruimte.

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 27 april 2011;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.888,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en Y.J. Klik en

P.W. van Straalen als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2014.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) A.C. Oomkens

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip duurzaam gescheiden leven.

HD