Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3810

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13-1512 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Geen reden om de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen onjuist te achten. De geselecteerde functies zijn in medisch opzicht geschikt. De arbeidskundige geschiktheid voor die functies is voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1512 WAO

Datum uitspraak: 17 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van

11 februari 2013, 12/1570 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is door mr. A. Staal hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2014. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 10 januari 2011 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellante met ingang van 11 maart 2011 verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij het besluit van 16 mei 2011 gegrond verklaard en het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 25-35%. Op 29 augustus 2011 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad het beroep van appellante tegen de beslissing van 16 mei 2011 ongegrond verklaard.

1.2.

Appellante heeft zich bij brief van 7 september 2011 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 13 januari 2012 heeft het Uwv de uitkering op grond van de WAO van appellante ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 4 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep gronden van medisch en arbeidskundige aard aangevoerd. Appellante heeft gewezen op de medische gegevens afkomstig van haar behandelaars die haar stelling, dat er sprake is van toegenomen beperkingen, ondersteunen. Het totaal van klachten van appellante, waaronder haar CVS, COPD Gold 2 en haar chronische pijnklachten, brengt met zich mee dat er, gelet op de “Standaard verminderde arbeidsduur” niet alleen een veel ruimere urenbeperking had dienen te worden aangenomen ten aanzien van werktijden, maar ook beduidend meer beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) hadden moeten worden opgenomen. Ten onrechte is de functie met SBC-code 461060 geselecteerd, want niet alleen is er sprake van een te hoog functieniveau maar ook leidinggevende taken maken onderdeel uit van deze functie en uitgaande van het Verzekeringskundig protocol CVS kan deze functie daarom niet geduid worden.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad houdt artikel 39a, eerste lid, van de WAO geen regeling in van een toename van arbeidsongeschiktheid in algemene zin, maar is naar bewoordingen en bedoeling beperkt tot uitsluitend die situaties waarin sprake is van een toename van arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit dezelfde (medische) oorzaak. Indien van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag liggen aan de reeds toegekende uitkering geen sprake is, wordt derhalve aan een beoordeling van arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen. Indien wel van een zodanige toename van medische beperkingen sprake is, dient ter beoordeling of, en zo ja in welke omvang die toename van beperkingen ook leidt tot een toename van arbeidsongeschiktheid, de arbeidskundige component in ogenschouw te worden genomen.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen reden is om de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen onjuist te achten. Ten aanzien van het toepassen van het Verzekeringsgeneeskundige protocol CVS heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 8 maart 2012 in voldoende mate te kennen gegeven dat de aandachtspunten van dit protocol zijn gevolgd. Daarbij wordt erop gewezen dat protocollen, zoals ook het hier toegepaste protocol, als hulpmiddel bedoeld zijn voor de verzekeringskundige beoordeling en niet gezien dienen te worden als een checklist (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7873). De verzekeringsarts bezwaar en beroep is voorts ingegaan op alle door appellante gestelde klachten. Hij heeft aanleiding gezien voor een uitgebreidere urenrestrictie en heeft inzichtelijk te kennen gegeven waarom de klachten van appellante overigens niet (kunnen) leiden tot het aannemen van meer dan wel andere beperkingen. Met het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is toereikend gemotiveerd dat met de klachten van appellante in de FML voldoende rekening is gehouden en dat er geen objectiveerbare medische gegevens zijn om verdergaande beperkingen aan te nemen. Evenzeer kan de Raad instemmen met de stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, als neergelegd in het rapport van 3 april 2013, dat onder de aandachtspunten voor de FML genoemd in het Verzekeringsgeneeskundige protocol CVS het leidinggeven niet is opgenomen.

4.3.

Ervan uitgaande dat de medische beperkingen van appellante juist zijn gewaardeerd, bestaat er geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt waren. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de geschiktheid voor die functies door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende is gemotiveerd. Met betrekking tot het functieniveau wijst de Raad erop dat dat dit alleen nog ten behoeve van de arbeidsongeschiktheidscriteria vóór 1993 wordt vermeld (ECLI:NL:CRVB:2013:2889). Dat is in het geval van appellante niet aan de orde.

4.4.

Hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen, leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zodat ook het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigd de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2014.

(getekend) H. van Leeuwen

(getekend) V. van Rij

JvC