Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
12-6703 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoldoende procesbelang. Het hoger beroep van appellant kan niet tot een voor hem gunstiger resultaat leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6703 WIA, 13/312 WIA

Datum uitspraak: 19 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 november 2012, 12/1192 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A. Madern, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2014, waar namens appellant is verschenen mr. Madern. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als jongerenwerker. Met ingang van 25 november 2009 is hij uitgevallen wegens psychische klachten. Nadien heeft hij ook andere klachten gekregen. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het Uwv heeft bij besluit van 25 oktober 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 23 november 2011 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.

1.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de op 15 september 2011 vastgestelde FML op 14 maart 2012 aangepast en op basis van deze aangepaste FML is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 28 maart 2012 tot de conclusie gekomen dat een tweetal voor appellant geselecteerde functies niet meer geschikt waren. Zij heeft een nieuwe functie geduid en heeft vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 73,09%. In overeenstemming met het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv bij besluit van 29 maart 2012 (bestreden besluit) het door appellante tegen het besluit van 25 oktober 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank zich met de medische grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen, zij het dat de rechtbank een kritische kanttekening heeft geplaatst bij de overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de door appellant gebruikte pijnstillers. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functie van wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur met SBC-code 267050 in onvoldoende mate heeft aangetoond. Dit betekende dat slechts twee geschikte functies resteerden en dit is voor de rechtbank aanleiding geweest het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond te verklaren en dit besluit te vernietigen. Voorts heeft de rechtbank het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

3.1.

In een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 13 november 2012 heeft deze vastgesteld dat geen andere functies konden worden geduid. Vervolgens heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak bij besluit van 28 november 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarbij appellant met ingang van 23 november 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

3.2.

Aangezien appellant zich met het besluit van 28 november 2012 evenmin kan verenigen, is dit besluit met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige procedure betrokken.

4. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat de uit zijn klachten voortvloeiende beperkingen zijn onderschat. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij informatie overgelegd van het instituut i-psy. Aangezien hij van mening is dat hij meer beperkingen heeft, is hij tevens de mening toegedaan dat hij ongeschikt is voor de resterende twee functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd. Daarnaast is hij van mening dat de rechtbank ten onrechte geen consequenties heeft verbonden aan haar overwegingen met betrekking tot de door hem gebruikte pijnstillers. Voorts heeft hij aangevoerd dat bij besluit van 28 november 2012 zijn bezwaar gegrond had moeten verklaard en dat hem een vergoeding in de kosten van bezwaar had moeten worden toegekend.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 24 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD8613, overweegt de Raad dat slechts sprake is van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Van de bestuursrechter kan in een geval waarin de uitkomst van het (hoger) beroep niet in concreto tot een voor de betrokkene gunstiger resultaat kan leiden, geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiƫle betekenis daarvan.

5.3.

Vastgesteld wordt dat het hoger beroep van appellant niet tot een voor hem gunstiger resultaat kan leiden. Bij besluit van 28 november 2012 is appellant immers een

WGA-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

80 tot 100% en dit betekent dat appellant met een wijziging van de FML geen ander resultaat ter zake van de mate van arbeidsongeschiktheid kan bereiken dan het al bereikte resultaat nu appellant ook geen IVA heeft geclaimd. Dit geldt ook voor de overige door appellant aangevoerde gronden, waarbij met betrekking tot de kosten in bezwaar wordt overwogen dat in bezwaar, zoals blijkt uit de gedingstukken, geen sprake is geweest van beroepsmatige verleende bijstand door een derde als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Van een vergoeding van deze kosten kan derhalve geen sprake zijn. Op grond van het vorenstaande wordt geoordeeld dat appellant niet kan worden ontvangen in zijn beroep tegen aangevallen uitspraak en evenmin in zijn beroep, voor zover dat geacht kan worden te zijn gericht tegen het besluit van 28 november 2012.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 november 2012 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en E.W. Akkerman en

B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) W. de Braal

JS