Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:380

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
12-02-2014
Zaaknummer
12-6047 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand omdat appellant niet heeft gereageerd op de oproep voor een gesprek. Het ophalen van de post behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6047 WWB

Datum uitspraak: 11 februari 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 oktober 2012, 12/4371 en 12/4910 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Ettalhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013. Voor appellant is verschenen mr. Ettalhaoui. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 11 november 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Hij maakte gebruik van een postadres van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) op de locatie aan het [adres 1]. De DWI heeft appellant bij brief van 14 mei 2012 op de hoogte gesteld van de wijziging van zijn postadres naar de locatie[naam locatie] per 4 juni 2012.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de postkamer op 4 juli 2012 dat appellant sedert

25 november 2011 geen post meer had opgehaald, heeft de DWI appellant bij brief van 4 juli 2012 uitgenodigd voor een gesprek op 19 juli 2012. Appellant is zonder bericht niet verschenen. Bij besluit van 19 juli 2012 heeft het college met ingang van diezelfde dag het recht op bijstand opgeschort. Daarbij is appellant opgeroepen voor een gesprek op 2 augustus 2012. Bij besluit van 2 augustus 2012 heeft het college met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand met ingang van 19 juli 2012 ingetrokken op de grond dat appellant niet heeft gereageerd op de oproep voor het gesprek op 2 augustus 2012.

1.3.

Bij besluit van 27 september 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 2 augustus 2012 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand ingaande 19 juli 2012 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken dan wel anderszins onvoldoende medewerking heeft verleend. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant in het geheel niet heeft gereageerd op de oproep om op

2 augustus 2012 te verschijnen. Appellant heeft aangevoerd dat dit hem niet kan worden verweten omdat hij de oproep daarvoor bij het opschortingsbesluit niet heeft ontvangen. Hij stelt dat het college de verzending van deze - niet-aangetekend verzonden - oproep niet aannemelijk heeft gemaakt en dat het college uit oogpunt van zorgvuldigheid de oproep aangetekend of met bericht van ontvangst had moeten verzenden.

4.4.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in 2012 eerder dan op 6 augustus 2012 op het (nieuwe) postadres is verschenen om zijn post op te halen. Hij trof, zo heeft hij ter zitting van de rechtbank verklaard, daar een hele stapel post aan, waaronder het opschortingsbesluit met de oproep voor het gesprek op 2 augustus 2012. Daarom treft de stelling van appellant, dat het college de verzending van deze oproep niet aannemelijk heeft gemaakt en dat het college de oproep aangetekend dan wel met bericht van ontvangst had moeten verzenden, geen doel. Het behoorde tot de eigen verantwoordelijkheid van appellant om geregeld zijn post op te halen. Derhalve heeft het college appellant terecht verweten dat hij niet op de oproep heeft gereageerd.

4.5.

De ter zitting gestelde slechte beheersing van de Nederlandse taal door appellant, wat daarvan ook zij, doet er niet aan af dat appellant pas op 6 augustus 2012 zijn post heeft opgehaald, met als gevolg dat hij - verwijtbaar - niet op het gesprek op 2 augustus 2012 is verschenen.

4.6.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2014.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) T.A. Meijering

HD