Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3795

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13-950 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:7568, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Het standpunt van het Uwv dat, gelet op de Arbowetgeving, een adequate toiletvoorziening op korte afstand van de werkplek aanwezig mag worden geacht, kan niet voor onjuist worden gehouden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van zijn klachten meer beperkingen heeft. De stelling dat hij na elk toiletgebruik moet douchen en dat een toiletbezoek kan uitlopen tot anderhalf uur, heeft hij in onvoldoende mate onderbouwd. Door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in voldoende mate uiteengezet dat de in de functies te verrichten werkzaamheden op elk moment kunnen worden onderbroken voor een toiletbezoek zonder dat daarbij het productieproces wordt gestagneerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/950 WIA

Datum uitspraak: 19 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 december 2012, 12/823 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Wintjes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2014. Namens appellant is

mr. Wintjes verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is als belader werkzaam geweest en heeft zich vanuit een situatie van werkloosheid ziek gemeld met buikklachten. Op 5 oktober 2010 is appellant onderzocht op het spreekuur van een verzekeringsarts, die in zijn rapport van 8 oktober 2010 tot de conclusie is gekomen dat appellant als gevolg van fysieke klachten (buik- en darmklachten) en psychische klachten beperkingen heeft. Deze beperkingen heeft hij weergegeven in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 oktober 2011. Vervolgens is een arbeidsdeskundige in zijn rapport van 7 november 2011 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk van belader maar nog wel geschikt voor een viertal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 14 november 2011 vastgesteld dat appellant met ingang van 30 juni 2011 geen recht heeft op een uitkering op grond van de wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (wet WIA) omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

1.2.

In de bezwaarprocedure heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML van

24 oktober 2011 enigszins aangepast door een tweetal nadere beperkingen op te nemen. Op basis van deze aangepaste FML van 11 januari 2012 is een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 17 januari 2012 tot de conclusie gekomen dat één van de voor appellant geselecteerde functies niet meer geschikt voor hem is. De resterende drie functies heeft hij wel geschikt geacht en op basis van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op eveneens minder dan 35%. Bij besluit van 19 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van

14 november 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit gehandhaafd dat appellant niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.

2.1.

In beroep heeft appellant naar voren gebracht dat hij in verband met zijn buik- en darmklachten veelvuldig gebruik moet maken van een toilet en dat hij daarna ook moet douchen. Door deze omstandigheid kan hij naar zijn mening niet volledig werken en dient hij in aanmerking te komen voor een urenbeperking. Daarnaast is hij van mening dat de geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies niet toereikend is gemotiveerd, omdat in onvoldoende mate is aangetoond dat hij in deze functies het werk op elk moment en gedurende enige tijd kan onderbreken voor toiletbezoek. Bovendien is niet in voldoende mate aangetoond dat in de nabijheid van de werkplek een toilet aanwezig zal zijn.

2.2.

Door het Uwv zijn in beroep nadere rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van respectievelijk 29 maart 2012 en

19 juli 2012 overgelegd, waarin, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, is ingegaan op de gronden van appellant.

3. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv een zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar de medische situatie van appellant op 30 juni 2011. Voorts heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de voor appellant op 11 januari 2012 vastgestelde FML. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij meer beperkingen heeft dan in de FML is overgenomen. Hij heeft geen informatie overgelegd waaruit blijkt dat bij de regelmatige toiletbezoeken ook sprake moet zijn van een douchegelegenheid. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de geschiktheid van appellant voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in voldoende mate heeft gemotiveerd, zij het dat deze geschiktheid pas met het in beroep ingebracht rapport van 19 juli 2012 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in voldoende mate is aangetoond. Om deze reden heeft de rechtbank het bestreden besluit in strijd geacht met het bepaalde in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Nu het Uwv met dit rapport van 19 juli 2012 de geschiktheid van appellant voor de geselecteerde functies alsnog in voldoende mate heeft aangetoond en daarmee het bestreden besluit van een juiste motivering heeft voorzien, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb in stand te laten.

4.1.

Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten. Daarbij heeft hij de in beroep naar voren gebrachte gronden herhaald.

4.2.

Door het Uwv is in hoger beroep een nader rapport van 26 april 2013 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overgelegd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust wordt onderschreven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een zorgvuldig onderzoek ingesteld naar de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Daarbij is in overweging genomen dat hij appellant heeft gezien op de hoorzitting en daarnaast bij zijn beoordeling de beschikking heeft gehad over informatie uit de behandelend sector. Voorts kan op grond van de gedingstukken de door deze arts op

11 januari 2012 vastgestelde FML, waarin onder meer is opgenomen dat appellant altijd in de buurt van een toilet moet werken en dit zonder uitstel frequent moet kunnen bezoeken, niet voor onjuist worden gehouden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van zijn klachten meer beperkingen heeft. De stelling dat hij na elk toiletgebruik moet douchen en dat een toiletbezoek kan uitlopen tot anderhalf uur, heeft hij in onvoldoende mate onderbouwd.

5.2.

Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv de geschiktheid van de functies in voldoende mate heeft aangetoond wordt eveneens onderschreven. Het standpunt van het Uwv dat, gelet op de Arbowetgeving, een adequate toiletvoorziening op korte afstand van de werkplek aanwezig mag worden geacht, kan niet voor onjuist worden gehouden. Voorts is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in voldoende mate uiteengezet dat de in de functies te verrichten werkzaamheden op elk moment kunnen worden onderbroken voor een toiletbezoek zonder dat daarbij het productieproces wordt gestagneerd.

5.3.

Uit hetgeen is overwogen in 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevochten. Het verzoek om schadevergoeding moet daarom worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2014.

(getekend) M. Greebe

(getekend) J.C. Hoogendoorn

MK