Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
13-2995 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing herhaalde aanvraag om een WAO-uitkering toe te kennen. minder dan 15% arbeidsongeschikt. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat appellant in zijn verzoek van 12 december 2011 om terug te komen van het besluit van 4 oktober 2001 geen nieuwe informatie heeft gegeven. De rechtbank is daarom terecht van oordeel dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb waarin het Uwv aanleiding had behoren te zien het besluit van 4 oktober 2001 te herzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/2995 WAO

Datum uitspraak: 10 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

18 april 2013, 12/3366 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft het hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als productiemedewerker. Hij is in 1992 wegens ziekte uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Bij besluit van 4 oktober 2001 heeft het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), de rechtsvoorganger van het Uwv appellant, op diens aanvraag van 25 oktober 2000, per 8 juni 1993 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Het Lisv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant weliswaar gedurende 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, maar dat hij in aansluiting op deze periode minder dan 15% arbeidsongeschikt is zodat appellant geen recht heeft op een uitkering. Bij besluit van 22 mei 2002 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 oktober 2001 ongegrond verklaard. Het hiertegen gerichte beroep is bij uitspraak van 4 september 2003 door de rechtbank Groningen ongegrond verklaard.

1.2.

Bij besluit van 8 januari 2010 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, een besluit van

10 december 2007 gehandhaafd, waarbij aan appellant, na een nieuwe aanvraag, per

29 september 1992 een WAO-uitkering wederom is geweigerd. Het hiertegen gerichte beroep is ongegrond verklaard. De desbetreffende uitspraak van de rechtbank is door de Raad bevestigd.

1.3.

Bij brief van 12 december 2011 heeft appellant het Uwv verzocht zijn aanvraag om hem per 8 juni 1993 een WAO-uitkering toe te kennen opnieuw te beoordelen. Bij besluit van

31 januari 2012 heeft het Uwv dit verzoek van appellant afgewezen op de grond dat hij geen nieuwe informatie heeft overgelegd. Bij besluit van 12 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 januari 2012 ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig rapport.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij in 1991 ziek is geworden, dat hij in 2003 medisch is onderzocht in Marokko, dat het Uwv hem nadien nooit meer heeft onderzocht, dat een beroep van hem tegen een besluit van het Uwv door de rechtbank gegrond is verklaard in 2010, dat het Uwv daar niets mee heeft gedaan en dat hij recht heeft op een uitkering op grond van de WAO.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Op een herhaalde aanvraag als is neergelegd in appellants brief van 12 december 2011 is artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan de aanvraag afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat appellant in zijn verzoek van

12 december 2011 om terug te komen van het besluit van 4 oktober 2001 geen nieuwe informatie heeft gegeven. De rechtbank is daarom terecht van oordeel dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, van de Awb waarin het Uwv aanleiding had behoren te zien het besluit van 4 oktober 2001 te herzien.

4.2.1.

De rechtbank heeft de besluitvorming getoetst die heeft geleid tot het bestreden besluit. Daarbij heeft zij in het bijzonder het rapport van 30 mei 2012 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzocht. Deze heeft in dat rapport te kennen gegeven dat appellant oude, reeds bekende gegevens heeft verschaft of gegevens die de medische situatie van vele jaren na de relevante datum, einde wachttijd in oktober 1992, of de huidige medische situatie beschrijven. De verklaringen gedateerd rond het einde van de wachttijd bevestigen de maagklachten van appellant. Ook de psychische klachten zijn toen meegewogen ter beoordeling van de arbeidsbeperkingen. Vaststaat dat appellant toen geschikt werd geacht voor het eigen werk, zodat er geen beoordeling op grond van artikel 43 WAO aan de orde is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat er geen nieuwe medische feiten zijn ingebracht die tot een andere standpunt moeten leiden ten aanzien van de aard en de ernst van de medische situatie per het einde wachttijd. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep kennis heeft genomen van alle door appellant in bezwaar overgelegde medische stukken en op grond hiervan heeft geconcludeerd dat er geen sprake is van nieuwe medische feiten die moeten leiden tot een andere beoordeling van appellants aanspraken op grond van de WAO. Die conclusie is inzichtelijk en overtuigend onderbouwd. De door appellant in beroep overgelegde certificats médicaux van

F.S. Houssaïni van 27 april 2012, 28 april 1992 en 31 oktober 1991 zijn in de beoordeling meegenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de door het Uwv gevolgde conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit punt.

4.2.2.

Ten aanzien van de door appellant eerst in beroep overgelegde medische stukken bestaande uit een certificat médical van F.S Houssaïni van 2 augustus 2012, een certificat médical van L. Rachdi van 15 december 2012 en een recept van dezelfde datum, heeft de rechtbank terecht overwogen dat ingevolge vaste rechtspraak van de Raad nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ingevolge artikel 4:6 van de Awb bij de aanvraag of uiterlijk in bezwaar moeten worden vermeld. Met nieuwe feiten, die pas in de fase van beroep naar voren worden gebracht, mag bij de rechterlijke toetsing, met toepassing van artikel 4:6 van de Awb genomen besluiten, geen rekening worden gehouden. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0212. De rechtbank overweegt voorts terecht dat appellant ten aanzien van deze stukken niet heeft vermeld welke de relatie van deze stukken is met het besluit inhoudende de weigering hem de WAO-uitkering te verlenen en waaruit de nieuw gebleken feiten en omstandigheden bestaan, terwijl dit een en ander evenmin blijkt uit de desbetreffende stukken zelf.

4.3.

Appellants argument dat de rechtbank zijn beroep in 2010 gegrond heeft verklaard is feitelijk onjuist. In de door appellant bedoelde uitspraak van de rechtbank Groningen van

17 november 2010 is zijn beroep, dat betrekking had op een andere besluitvorming dan de thans in geding zijnde, ongegrond verklaard. Die uitspraak is door de Raad bevestigd bij uitspraak van 9 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BS1122.

4.4.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

4.5.

Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2014.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) V. van Rij

JvC