Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
14-5103 WWB-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Niet ingeschreven in de GBA op het adres waar appellant verblijft. Nagelaten de gevraagde gegevens te overleggen. Afwijzing voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5103 WWB-VV

Datum uitspraak: 17 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. F.S. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2014, 14/923 (aangevallen uitspraak).

Tevens is een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2014. Voor verzoeker is

mr. Jansen verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.A. Karreman.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker ontving sinds 7 december 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Verzoeker stond laatstelijk in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres). Op

17 mei 2013 is die inschrijving in de GBA gewijzigd naar “Vertrokken naar buitenland”.

1.2.

Bij brief van 3 oktober 2013 heeft het college aan verzoeker verzocht vóór 17 oktober 2013 gegevens te verstrekken, waaronder bewijzen van huurbetalingen van de laatste drie maanden en een bewijs van inschrijving in de GBA. Verzoeker heeft bij het college een op

17 oktober 2013 gedateerde verklaring ingeleverd van de hoofdbewoner op het adres [adres 2] te [plaatsnaam] (adres 2), [X.] ([X.].). In deze verklaring staat dat verzoeker sinds vijf maanden tijdelijk op adres 2 woonachtig is en daarvoor iedere maand een bedrag van € 100,- aan [X.]. betaalt.

1.3.

Bij besluit van 26 november 2013 heeft het college het recht op bijstand van verzoeker met ingang van 1 november 2013 opgeschort. Tevens heeft het college hierbij opnieuw om gegevens gevraagd, namelijk bewijzen van huurbetalingen vanaf de aanvang van het verblijf op adres 2, een bewijs van inschrijving in de GBA en een kopie van het legitimatiebewijs van [X.]. Het college heeft verzoeker gesommeerd om deze gegevens uiterlijk op 10 december 2013 te verstrekken en hem tevens gewezen op de consequentie indien hij hieraan in onvoldoende mate gevolg geeft.

1.4.

Bij besluit van 24 december 2013 heeft het college de bijstand met ingang van

1 november 2013 ingetrokken op de grond dat verzoeker heeft verzuimd om zich binnen de aangeboden hersteltermijn, zoals genoemd in 1.3, in de GBA in te schrijven op het adres waar hij verblijft en voorts heeft nagelaten de (overige) bij het opschortingsbesluit van

26 november 2013 gevraagde gegevens te overleggen.

1.5.

Bij besluit van 3 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 26 november 2013 en 24 december 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. Het verzoek strekt ertoe dat aan verzoeker bij wijze van voorschot bijstand wordt verstrekt.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Namens verzoeker is aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat zijn bijstand met ingang van 1 november 2013 is ingetrokken, dat hij thans geen inkomen geniet en dat sprake is van een toenemende schuldenlast.

4.3.

De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval in het bijzonder toe op de vraag of vanuit financieel oogpunt sprake is van een spoedeisend belang.

4.4.

Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. Hij heeft aangegeven dat hij leeft van de goedheid van vrienden en familie. Hij heeft echter niet nader gespecificeerd waaruit de hulp concreet bestaat en eveneens ontbreekt een objectieve onderbouwing. Verder is van betekenis dat van de zijde van verzoeker evenmin stukken in het geding zijn gebracht ter onderbouwing van de door hem gestelde financiële noodsituatie. Niet is gesteld dat hij deze stukken niet kon aanleveren. Bovendien is niet gebleken dat verzoeker sinds de intrekking van de bijstand met ingang van 1 november 2013 een nieuwe aanvraag heeft ingediend. Desgevraagd kon van de kant van verzoeker niet worden aangegeven waarom een nieuwe aanvraag achterwege is gebleven.

4.5.

Tot slot heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een ander spoedeisend belang, als gevolg waarvan de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Daarom bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 november 2014.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) S.W. Munneke

HD