Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
13-1323 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:295, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een Wet WIA-uitkering. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank terecht en op basis van een juiste motivering geconcludeerd dat er op grond van de beschikbare gegevens niet is gebleken dat bij appellante sprake is van meer of ernstiger beperkingen dan door het Uwv zijn aangenomen in de FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1323 WIA

Datum uitspraak: 14 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

24 januari 2013, 12/2975 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2014. Appellante is, zoals tevoren is bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, laatstelijk werkzaam geweest als kinderleidster op een kinderdagverblijf, heeft zich na haar uitkering in verband met haar bevalling, op 3 maart 2009 ziek gemeld vanwege psychische klachten. Tevens heeft appellante darmklachten.

1.2.

In verband met een aanvraag om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft er een beoordeling plaatsgevonden. In dat kader is appellante onderzocht door de verzekeringsarts, die in zijn rapport van 19 januari 2012 heeft vastgesteld dat appellante als gevolg van psychische klachten beperkingen heeft. Met inachtneming van deze beperkingen heeft hij een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 1 februari 2012 tot de conclusie gekomen dat appellante niet meer geschikt is voor zijn eigen functie, maar nog wel geschikt voor een vijftal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 6 februari 2012 vastgesteld dat voor appellante geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan, omdat zij met ingang van 28 februari 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3.

Het bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2012 is bij besluit van 18 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zich met de medische grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Er heeft anamnese plaatsgevonden, er is informatie van de huisarts en een brief van 10 maart 2011 van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige werkzaam bij het Riagg beschikbaar en deze zijn meegewogen bij de beoordeling. In de medische argumenten van appellante heeft het Uwv geen aanleiding behoeven te zien om een nader onderzoek in te stellen. Uit het geheel van de beschikbare informatie volgt niet dat er een onvolledig beeld was van de gezondheidssituatie van appellante. In dat verband merkt de rechtbank op dat de beleving door appellante van de door haar ervaren klachten niet ter discussie staat. In de systematiek van de Wet WIA draait het om de uit ziekte en gebrek voortvloeiende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Appellante heeft haar stelling dat zij meer beperkt is dan aangenomen niet onderbouwd aan de hand van objectieve, verifieerbare medische gegevens. De enkele verwijzing naar de eerder overgelegde en reeds door het Uwv meegewogen brief van 10 maart 2011 van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige werkzaam bij het Riagg, is daartoe volgens de rechtbank onvoldoende.

3. Appellante heeft in hoger beroep de door haar in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden gehandhaafd. In het bijzonder handhaaft zij haar stelling dat er geen zorgvuldig medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Daartoe heeft zij te kennen gegeven dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, nadat hij de huisarts had geprobeerd telefonisch te bereiken, nadien nog een keer had moeten proberen om de huisarts te spreken te krijgen.

Voorts blijft appellante van mening dat zij op de datum in geding van 28 februari 2012 nog altijd beperkt was als gevolg van psychische klachten, in verband waarmee zij wijst op de brief van 10 maart 2011 van de sociaal psychiatrisch verpleegkundige die spreekt van “een apathisch syndroom, meest passend bij een depressieve stoornis met vitale kenmerken”. Ook de in bezwaar aangegeven darmklachten en bijwerking van de medicatie, zijn onvoldoende meegenomen bij het vaststellen van de beperkingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank terecht en op basis van een juiste motivering geconcludeerd dat er op grond van de beschikbare gegevens niet is gebleken dat bij appellante sprake is van meer of ernstiger beperkingen dan door het Uwv zijn aangenomen in de FML van 19 januari 2012. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel is gebaseerd worden volledig onderschreven. Hierbij zij nog benadrukt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij rapporten van 13 juni 2012, 24 september 2012 en 2 januari 2013 alle door appellante ingebrachte gronden overtuigend gemotiveerd heeft besproken. Ook in hoger beroep heeft appellante haar stelling dat zij meer dan wel anders beperkt is dan aangenomen door het Uwv, niet met medisch objectiveerbare gegevens onderbouwd.

4.2.

Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellante is er geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de voor appellante geduide functies.

4.3.

Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2014.

(getekend) R.E. Bakker

(getekend) K. de Jong

IJ