Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3748

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
12-2515 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Het uitgebrachte rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven het rapport niet te volgen. Nu de deskundige het eens is met de beoordeling van de verzekeringsartsen en met de opgestelde FML van 16 maart 2011, slaagt het hoger beroep van appellante niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/2515 WIA

Datum uitspraak: 14 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van

22 maart 2012, 11/2390 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben nadere stukken ingediend.

De Raad heeft vervolgens revalidatiearts W. Hokken ingeschakeld voor onafhankelijk en deskundig onderzoek en advies. De deskundige heeft bij rapport van 3 juli 2014 de Raad van advies gediend.

Vervolgens hebben beide partijen hun zienswijze hierop ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 3 juni 2009 uitgevallen voor haar werk als administratief medewerkster voor 32 uur per week in verband met een hersteloperatie aan haar heup, nadat zij in 2007 en 2008 operaties aan beide heupen had ondergaan in verband met heupdysplasie.

1.2.

Bij besluit van 14 april 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij met ingang van 17 mei 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 26 augustus 2011 (bestreden besluit) gegrond verklaard en aan appellante is met ingang van 17 mei 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 36%.

1.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Hiertoe heeft zij (samengevat) overwogen dat sprake is geweest van zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek en dat er, gelet op alle voorhanden medische gegevens, geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 maart 2011. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen voldoende overtuigend gemotiveerd dat zwaardere beperkingen dan weergegeven in de FML niet aan de orde zijn. De rechtbank volgt de verzekeringsartsen in hun standpunt dat een urenbeperking niet aangewezen is. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat de in het dossier aanwezige gegevens de conclusie kunnen dragen dat appellante in medisch opzicht in staat is om de voorgehouden functies te vervullen.

2.1.

In hoger beroep heeft appellante wederom aangevoerd dat zij volledig arbeidsongeschikt is in verband met de vele fysieke beperkingen die zij ondervindt en haar chronische pijn- en vermoeidheidsklachten. Zij moet enkele keren per dag rusten en volgt meerdere therapieën per week. Subsidiair pleit zij dan ook in elk geval voor een urenbeperking. Ter onderbouwing heeft zij een expertise-rapport ingediend van C.S.H. Haarsma, revalidatiearts n.p., gedateerd 10 juli 2012.

2.2.

De Raad heeft aanleiding gezien voor inschakeling van revalidatiearts W. Hokken als onafhankelijk deskundige. Deze heeft appellante op 6 maart 2014 onderzocht en de Raad bij rapport van 3 juli 2014 verslag gedaan van zijn onderzoeksbevindingen en van advies gediend. Hierbij heeft hij aangegeven dat appellante functionele beperkingen heeft ten gevolge van de vastgestelde heupafwijkingen. De pijn- en vermoeidheidsklachten van appellante hangen echter slechts ten dele samen met deze heupafwijkingen. Appellante voldoet volgens de deskundige niet aan de criteria van fibromyalgie. Er is bij appellante sprake van somatisatie: psychische klachten worden “vertaald” in lichamelijk onwelbevinden, pijn en vermoeidheid, waarbij geen sprake is van simulatie. Gelet op de rapporten van de verzekeringsartsen is de deskundige tot de conclusie gekomen dat er steeds begrip is opgebracht voor de klachten van appellante, dat daarvan goede nota is genomen en dat steeds een afweging is gemaakt in hoeverre deze klachten aanleiding moeten geven tot aanpassing van de FML en toepassing van het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (maoc). Hij kan zich dan ook verenigen met de FML van 16 maart 2011. Ook is het hij het eens met het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat voor een urenbeperking geen medische noodzaak bestaat.

3. De Raad oordeelt als volgt.

3.1.

De motivering van de deskundige is overtuigend. Het uitgebrachte rapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Er zijn geen omstandigheden die aanleiding geven het rapport niet te volgen. Nu de deskundige het eens is met de beoordeling van de verzekeringsartsen en met de opgestelde FML van 16 maart 2011, slaagt het hoger beroep van appellante niet. De deskundige ziet, evenmin als het Uwv, aanleiding voor een medische urenbeperking op energetische of preventieve gronden. Van belang hierbij acht de Raad dat in de FML zodanig forse beperkingen ten aanzien van arbeid zijn aangenomen dat appellante alleen in een rolstoel kan werken. Belasting of inspanning via lopend of staand werk is dus feitelijk uitgesloten. Ten aanzien van de door appellante aangevoerde grond dat een urenbeperking noodzakelijk is gelet op de vele behandelingen die zij wekelijks ondergaat waardoor zij frequent in werktijd zal moeten verzuimen heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat deze grond faalt. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is overtuigend gemotiveerd bij rapporten van 6 juli 2011 en 1 november 2011 dat er geen reden is om aan te nemen dat appellante naast deze behandelingen geen 32 uur zou kunnen werken, te meer daar de begeleiding mede het karakter van conditietraining heeft. Het is niet onredelijk om ervan uit te gaan dat appellante een deel van de begeleiding buiten werktijd doet.

3.2.

Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de medische geschiktheid van de aan appellante voorgehouden functies van medewerker klantenservice, collector en medewerker dataverwerking afdoende is gemotiveerd. Door de arbeidsdeskundige analisten is bevestigd dat deze functies rolstoeltoegankelijk en –geschikt zijn en er een rolstoeltoilet aanwezig is.

3.3.

Gelet op de overwegingen 3.1 en 3.2 slaagt het hoger beroep niet.

3.4.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2014.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) R.L. Rijnen

MK