Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3742

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
14-4630 AWW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaald verzoek om terug te komen van. Geconcludeerd moet worden dat de Svb in hetgeen door verzoekster is aangevoerd, geen aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit, waarbij het AWW-pensioen van verzoekster met ingang van 1 januari 1994 is ingetrokken, te herzien. Gezien het oordeel van de Raad dat geen verdragsschending heeft plaatsgevonden en geen grond aanwezig is om aan verzoekster daadwerkelijk rechtsherstel te verlenen, is de vraag of sprake is van schending van artikel 2, derde lid, van het IVBPR hier niet aan de orde. Het betoog van verzoekster dat haar door de terughoudende toets van artikel 4:6 van de Awb een effectieve rechtsbescherming wordt onthouden, behoeft ook overigens geen bespreking, nu gezien het hiervoor overwogene ook een volle toets met terugwerkende kracht niet tot het door verzoekster gewenste resultaat zou leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4630 AWW, 14/4631 AWW-VV

Datum uitspraak: 14 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 juli 2014, 13/5243 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van

13 augustus 2014

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft A.A. Creton hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en tevens een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening gedaan.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2014. Verzoekster is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde A.A. Creton. De Svb heeft zich - met bericht - niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2.

Bij besluit van 29 oktober 1996 heeft de Svb de uitkering van verzoekster op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) met ingang van 1 januari 1994 ingetrokken omdat zij op 27 december 1994 (lees: 27 december 1993) in Egypte in het huwelijk is getreden. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 20 juni 1997 ongegrond verklaard. De procedure die daarop is gevolgd, heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van

11 april 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB1784. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat hij, op grond van het op verzoek van de Raad uitgebrachte advies van het Internationaal Juridisch Instituut, van oordeel is dat de Svb naar aanleiding van de overgelegde huwelijksakte, ingeschreven onder nr. 504, kon uitgaan van het bestaan van een op

27 december 1993 tussen verzoekster en [naam] gesloten huwelijk. Aangezien niet is gebleken van evidente gebreken in de inhoud en de wijze van totstandkoming van de huwelijksakte stond het de Svb vrij op grond van het rechtsgeldig gesloten huwelijk het AWW-pensioen van verzoekster in te trekken.

1.3.

Verzoekster heeft drie keer eerder de Svb verzocht om terug te komen van het besluit van 29 oktober 1996. De Svb heeft deze verzoeken afgewezen. De daaropvolgende procedures hebben geleid tot de uitspraken van de Raad van 19 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH5806, van 28 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010: BN2791 en van

15 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4681. Hierin heeft de Raad geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en dat ook overigens niet gezegd kan worden dat de Svb niet in redelijkheid tot het in die zaken bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel, zodat de Svb bevoegd was om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid van de Awb het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 29 oktober 1996.

1.4.

Dit geding heeft ook betrekking op een verzoek van verzoekster aan de Svb om terug te komen van het besluit van 29 oktober 1996 dan wel het besluit van 20 juni 1997. Bij besluit van 29 juli 2013 is dit verzoek van 5 juli 2013 onder verwijzing naar deze besluiten afgewezen.

1.5.

In de beslissing op bezwaar van 25 november 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 29 juli 2013 ongegrond verklaard omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht op grond waarvan een andere beslissing kan worden genomen. Tevens zijn de besluiten van 29 oktober 1996 dan wel

20 juni 1997 - mede rekening houdend met de uitspraken van de Raad - niet onmiskenbaar onjuist geacht.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Verzoekster heeft in deze procedure - samengevat - naar voren gebracht dat het besluit van 29 oktober 1996 op een ondeugdelijke grondslag berust. De intrekking van haar nabestaandenuitkering wegens het bestaan van een rechtsgeldig huwelijk is gebaseerd op een niet gelegaliseerd buitenlands document, welke akte geen bewijskracht voor het bestaan van een rechtsgeldig huwelijk heeft indien het zou gaan om de beoordeling van een recht op een nabestaandenuitkering. Ook de gemeente accepteert een dergelijke akte niet bij inschrijving van een huwelijk in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). Verzoekster is ook nog steeds als “weduwe” in de GBA van haar gemeente opgenomen. De grond om de uitkering in te trekken is dan ook gebaseerd op een inconsequente redenering. Nu deze huwelijksakte wel wordt geaccepteerd voor de intrekking van de uitkering en niet bij een toekenning heeft de Svb gehandeld in strijd met het in de artikelen 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) neergelegde discriminatieverbod. Tevens is een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen weduwen met een uitkering voor en op 1 januari 1994 en verzoekster omdat andere weduwen wel hun uitkering hebben behouden. Voorts is door de intrekking van haar nabestaandenuitkering een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het EP. Nu de Svb genoemde verdragsbepalingen heeft geschonden, dient de Svb de besluitvorming met volledige terugwerkende kracht te herzien. Door de terughoudende wijze van toetsing op grond van artikel 4:6 van de Awb wordt verzoekster effectieve rechtsbescherming onthouden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het IVBPR en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Voorts wordt verzocht om vergoeding van de geleden schade.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Verzoekster en de Svb zijn in de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

Mede onder verwijzing naar de onder 1.3 genoemde uitspraken van de Raad wordt geoordeeld dat met hetgeen door verzoekster naar voren is gebracht en aan stukken is ingebracht, niet is voldaan aan het in artikel 4:6 van de Awb gestelde vereiste van “nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden”, nu deze argumenten naar voren hadden kunnen en moeten worden ingebracht in de eerdere procedure tegen de besluiten van

29 oktober 1996 en 20 juni 1997. De Svb was derhalve wat betreft het verleden bevoegd om het verzoek om herziening van 5 juli 2013 onder verwijzing naar de eerdere besluiten van

29 oktober 1996 en 20 juni 1997 af te wijzen.

4.5.

Wat betreft de periode na het verzoek om herziening moet nu een minder terughoudende toets worden gehanteerd. Bij een duuraanspraak als een nabestaandenuitkering zal het in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte de uitkering is ingetrokken, blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

4.6.

Met betrekking tot het, in verband met de beweerde inconsequente redenering van de Svb, gedane beroep op de in de diverse verdragen neergelegde discriminatieverboden wordt allereerst verwezen naar de in 1.3 genoemde uitspraak van 15 maart 2013. In die uitspraak

is - kort gezegd - overwogen dat een gelegaliseerde huwelijksakte geen vereiste is als bewijs voor het in aanmerking nemen van een huwelijk in de zin van de AWW en de Algemene nabestaandenwet (ANW), omdat binnen die wetgeving enkel sprake dient te zijn van een huwelijk dat rechtsgeldig is gesloten. Dat het bij verzoekster gaat om een rechtsgeldig huwelijk, is vastgesteld in de uitspraak van de Raad van 11 april 2001. Het feit dat de gemeente het huwelijk niet op grond van deze akte heeft willen registreren en verzoekster altijd als “weduwe” heeft ingeschreven, maakt niet dat geen sprake is van een rechtsgeldig huwelijk in de zin van genoemde wetten. Het betoog dat de Svb in een andere situatie deze huwelijksakte anders zou waarderen, is onvoldoende onderbouwd, maar leidt ook niet tot het oordeel dat daarbij sprake zou zijn van vergelijkbare gevallen die door de Svb verschillend worden behandeld. Dat de Svb weduwen, zoals verzoekster, die na 1 januari 1994 in het huwelijk zijn getreden, nadeliger zou behandelen dan weduwen die voor 1 januari 1994 zijn hertrouwd, is ook een niet nader onderbouwde stelling, waarvan de juistheid overigens niet is gebleken. De Raad kan verzoekster dan ook niet volgen in haar betoog dat in haar geval sprake was van schending van artikel 26 van het IVBPR dan wel artikel 14 van het EVRM.

4.7.

Ook het beroep op artikel 1 van het EP kan niet slagen. Niet ter discussie staat dat een AWW-uitkering kan worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 van het EP. De Raad zal in het midden laten wat - gegeven de in de AWW gestelde voorwaarden - de omvang is van dit eigendomsrecht en beoordelen of aan de in artikel 1 van het EP genoemde voorwaarden voor eigendomsontneming is voldaan. Ingevolge artikel 15 van de AWW eindigt het recht op het AWW-pensioen indien de weduwe hertrouwt. Nu is vastgesteld dat verzoekster een rechtsgeldig huwelijk heeft gesloten, mag, ook getoetst aan artikel 1 van het EP, het AWW-pensioen in beginsel beëindigd worden. De stelling van verzoekster dat niet is voldaan aan het vereiste van legaliteit zoals bedoeld in artikel 1 van het EP kan dan ook niet worden gevolgd. Voorts kan niet gezegd worden dat de beëindigingsgrond een legitieme doelstelling in het algemeen belang ontbeert dan wel dat geen behoorlijk evenwicht bestaat tussen de eisen van algemeen belang en de belangen van verzoekster. De beëindiging van het AWW-pensioen levert bij gebreke van bijzondere omstandigheden voor verzoekster geen “individual and excessive burden” op, waarbij nog wordt opgemerkt dat aan verzoekster in verband met de beëindiging van haar recht op AWW-pensioen een uitkering ineens is verleend ter grootte van het jaarbedrag van het laatstelijk genoten pensioen.

4.8.

Geconcludeerd moet worden dat de Svb in hetgeen door verzoekster is aangevoerd, geen aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit, waarbij het AWW-pensioen van verzoekster met ingang van 1 januari 1994 is ingetrokken, te herzien. Gezien het oordeel van de Raad dat geen verdragsschending heeft plaatsgevonden en geen grond aanwezig is om aan verzoekster daadwerkelijk rechtsherstel te verlenen, is de vraag of sprake is van schending van artikel 2, derde lid, van het IVBPR hier niet aan de orde. Het betoog van verzoekster dat haar door de terughoudende toets van artikel 4:6 van de Awb een effectieve rechtsbescherming wordt onthouden, behoeft ook overigens geen bespreking, nu gezien het hiervoor overwogene ook een volle toets met terugwerkende kracht niet tot het door verzoekster gewenste resultaat zou leiden.

4.9.

Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat onder deze omstandigheden geen grond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

5. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 november 2014.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) M. Crum

NK