Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3723

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
13-2168 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:1566, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Niet gebleken is dat betrokkene op enig moment tussen 2007 en 2012 alsnog een verzoek heeft gedaan om professionele begeleiding. Betrokkene is ongeschikt te achten voor zijn ambt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/2168 AW, 14/3699 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 maart 2014, 13/3614 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (korpschef)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOPw

Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio[regio] ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

De korpschef en namens betrokkene mr. N.D. Dane, advocaat, hebben hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. Dane een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 oktober 2014. Namens de korpschef zijn verschenen A.J. Geldorp, mr. D. Çevik en T. Topҫu. Betrokkene is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Dane.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.2.

Betrokkene is in 2003 in dienst getreden bij de voormalige politieregio[regio] en vervulde laatstelijk de functie van hoofdagent.

1.3.

Bij besluit van 8 mei 2007 is aan betrokkene een disciplinaire straf (inhouding van drie verlofdagen) opgelegd wegens het maken van seksueel getinte opmerkingen tegen vrouwelijke aspiranten. Betrokkene is toen meegedeeld dat bij herhaling van het geconstateerde ongewenste gedrag ontslag zou volgen. Betrokkene is vervolgens overgeplaatst naar een ander team.

1.4.

In mei 2012 hebben enkele collega’s verklaringen afgelegd over gesprekken met betrokkene. In april/mei 2014 hebben deze collega’s aanvullende schriftelijke verklaringen opgesteld.

1.4.1.

H heeft op 14 mei 2012 onder meer verklaard dat betrokkene haar heeft bevraagd over vreemdgaan en een open relatie. V heeft op 15 mei 2012 onder meer verklaard dat betrokkene haar lachend toevoegde ‘jij kan ook lekker likken’, nadat zij een kaart in een envelop had gestopt en weer in de dienstauto stapte. Verder heeft zij verklaard dat betrokkene in reactie op haar vraag of zij de dienstauto mocht besturen heeft gezegd ‘oh, kan ik lekker aan je benen zitten’. T heeft op 18 mei 2012 verklaard dat betrokkene haar heeft gevraagd hoe zij denkt over vreemdgaan. Nadat zij had gezegd het daar niet over te willen hebben, is betrokkene meerdere malen op het onderwerp teruggekomen.

1.4.2.

In haar verklaring van 16 april 2014 schrijft H dat zij, na verschillende diensten te hebben gedraaid met betrokkene, een dermate onprettig gevoel kreeg bij samenwerken met hem dat zij alles op alles zette om diensten te ruilen als ze met hem was ingedeeld. Over de eerdere diensten met betrokkene verklaart H: ‘[Betrokkene] begon al snel met het maken van seksueel getinte opmerkingen en deed mij verschillende ongepaste verzoeken (op seksueel gebied). In eerste instantie heb deze opmerkingen en verzoeken afgewimpeld, met de veronderstelling dat ik deze misschien verkeerd had begrepen. Toen dit tijdens de volgende dienst nogmaals gebeurde, heb ik [betrokkene] duidelijk gemaakt dat ik hier niet van gediend was en dat hij hiermee moest stoppen.’ Nadien heeft betrokkene verschillende berichten aan haar verzonden via facebook.

1.4.3.

In haar verklaring van 9 mei 2014 schrijft V dat zij pas melding heeft gemaakt van de gedragingen van betrokkene in 2010 nadat zij van een andere student vernam dat zij zich ook niet veilig voelde bij betrokkene. Verder heeft zij verklaard dat zij betrokkene herhaaldelijk heeft meegedeeld niet gediend te zijn van seksueel getinte opmerkingen. Ze vond het lastig om tegen haar meerdere te moeten zeggen dat ze van zijn gedrag niet gediend was.

1.4.4.

In haar verklaring van 16 mei 2014 schrijft T het volgende: [Betrokkene] heeft mij, als student zijnde, geen veilig gevoel gegeven. Dit neem ik hem kwalijk want ik verwacht van mijn collegae en van mijn werkgever een veilige werkplek. Hier heeft [betrokkene] niet aan voldaan, ook al heb ik hem meerdere malen te verstaan gegeven om op te houden met zijn seksueel getinte vragen aan mij te stellen’.

1.5.

Uit de verklaringen van B van 7 juni 2012 en P van 28 juni 2012 komt naar voren dat zij zonder problemen hebben samengewerkt met betrokkene. G, de voormalige leidinggevende van betrokkene, heeft verklaard dat hij nooit signalen heeft ontvangen dat betrokkene onacceptabel gedrag vertoonde.

1.6.

Bij besluit van 16 oktober 2012 heeft de korpschef aan betrokkene ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor het door hem uitgeoefende ambt, anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken. Het bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2012 is bij besluit van

18 april 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 16 oktober 2012 herroepen. De rechtbank kwam tot het oordeel dat de korpschef niet bevoegd was betrokkene wegens ongeschiktheid te ontslaan. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat de korpschef aan betrokkene na de disciplinaire bestraffing in mei 2007 (professionele) begeleiding had moeten bieden bij de poging zijn gedrag te verbeteren. Gezien het besluit van 8 mei 2007 was de korpschef gehouden tot het bieden van die hulp.

3.1.

Het hoger beroep van de korpschef richt zich in het bijzonder tegen het oordeel van de rechtbank dat betrokkene na 2007 begeleiding had moeten worden aangeboden. Er zijn betrokkene destijds geen toezeggingen gedaan. Gezien het door betrokkende vertoonde gedrag, is de conclusie dat hij ongeschikt is voor zijn ambt terecht, gelet ook op de nadere verklaringen die in hoger beroep zijn ingebracht (zie 1.4.2- 1.4.4). Nu betrokkene al in 2007 was aangesproken op zijn gedrag, was het bieden van een verdere verbeterkans niet meer aan de orde.

3.2.

Betrokkene heeft in hoger beroep, naar de kern genomen, aangevoerd dat uit de verklaringen niet onomstotelijk blijkt dat hij ongepast gedrag heeft vertoond. De verklaringen berusten vooral op de subjectieve indrukken die deze politiemedewerkers hadden. Verschillende collega’s hebben zonder enig probleem met betrokkene samengewerkt en de leidinggevende G was tevreden over het functioneren van betrokkene. De gewraakte opmerkingen van betrokkene moeten bovendien in een andere context worden bezien. Bij een urenlange dienst in een politievoertuig is het niet ongebruikelijk dat gesprekken ook over onderwerpen zoals relaties gaan. Verder heerste er een cultuur waarin regelmatig seksueel getinte opmerkingen en grappen werden gemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Naar vaste rechtspraak moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar (uitspraak van 20 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1926).

4.1.2.

Volgens eveneens vaste rechtspraak (o.m. de uitspraak van 15 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM2249) is een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken in het algemeen niet toelaatbaar als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is anders in als uitzonderlijk aan te merken situaties waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn.

4.2.

Uit de verklaringen van H, V en T volgt dat betrokkene meermaals gesprekken ongevraagd en ongewenst in de richting van seks en vreemdgaan heeft geleid. Zij hebben verklaard dat zij betrokkene uitdrukkelijk hebben gezegd daarmee op te houden. Daarna heeft betrokkene zijn gedrag niet direct veranderd. Gelet op de afhankelijke positie die H, V en T als aspiranten ten opzichte van betrokkene hadden, had hij zich van deze gedragingen dienen te onthouden. Dat geldt eens te meer nu zij hadden gezegd de opmerkingen en gespreksonderwerpen niet op prijs te stellen. Het op de hiervoor beschreven manier negeren van, dan wel doof zijn voor, signalen van deze aspiranten kan de conclusie dat betrokkene ongeschikt is voor zijn ambt dragen.

4.3.

Daaraan kan de heersende cultuur binnen het team, als daar al sprake van zou zijn, niet afdoen. Die cultuur betreft het maken van grappen en ongepaste opmerkingen in groepsverband, terwijl hier het gedrag van betrokkene in zogeheten 1-op-1-situaties met aspiranten aan de orde is. Evenmin doet aan het voorgaande af, dat verschillende collega’s wél goed met betrokkene hebben samengewerkt of dat betrokkene voor het overige goed heeft gefunctioneerd. Het vermogen om signalen van collega’s, zeker die van aspiranten, voor ongewenst gedrag op te pikken en zo nodig het gedrag daarop aan te passen is essentieel voor het goed functioneren in het ambt van hoofdagent.

4.4.

Met de oplegging van de disciplinaire maatregel in 2007 is betrokkene al eerder en indringend aangesproken op het vertonen van ongepast gedrag. In het zienswijzegesprek van 12 april 2007 is betrokkene nog meegedeeld dat hij ernaar moet luisteren als collega’s wat zeggen. In het besluit van 8 mei 2007 noch in het daaraan voorafgaande zienswijzegesprek is aan betrokkene enigerlei toezegging gedaan dat hem (professionele) ondersteuning zou worden aangeboden. Integendeel: in het besluit van 8 mei 2007 is meegedeeld dat het verzoek om toekenning van studiefaciliteiten wordt afgewezen en dat betrokkene zijn omgeving moet benutten voor het verkrijgen van feedback op zijn gedrag.

4.5.

Als gevolg van de overplaatsing naar een ander team, waar betrokkene - zoals volgt uit de verklaringen van de voormalig leidinggevende G - ingeval van problemen of wensen rond zijn functioneren terecht kon bij de dienstleiding, heeft betrokkene na 2007 een reële verbeterkans gehad, ook al is hem geen specifieke professionele ondersteuning aangeboden. Niet gebleken is dat betrokkene op enig moment tussen 2007 en 2012 alsnog een verzoek heeft gedaan om professionele begeleiding.

4.6.

De slotsom is dat betrokkene ongeschikt is te achten voor zijn ambt en dat de korpschef bevoegd was om op die grond tot ontslag over te gaan.

4.7.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van betrokkene niet slaagt. Het hoger beroep van de korpschef slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 18 april 2013 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2014.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD