Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3707

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
13-1783 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende en zorgvuldig medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

13/1783 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

26 maart 2013, 12/3537 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 13 december 2013 heeft mr. Van Dijk namens appellant nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft desgevraagd een reactie gegeven op de nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk en Z. Hamidi als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.A. Vermeijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 12 januari 1999 uitgevallen voor zijn werk als onderhoudsmonteur/conciërge en schoonmaker. Appellant heeft vanaf 11 januari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidverzekering (WAO) ontvangen, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke per 6 december 2009 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In aanvulling hierop is vanaf laatstgenoemde datum aan appellant een werkloosheidsuitkering toegekend.

1.2.

Vanuit de situatie dat hij een WAO- en een werkloosheidsuitkering ontving heeft appellant zich per 27 maart 2012 ziek gemeld met klachten vanwege migraine en familiaire mediterrane koorts.

1.3.

Bij besluit van 21 juni 2012 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij per

26 juni 2012 volgens de Ziektewet (ZW) weer geschikt is om zijn werk, in dit geval de in het kader van de WAO-beoordeling in 2009 geduide functies, te doen en dat zijn ZW-uitkering per die dag wordt beëindigd. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van

21 juni 2012 ten grondslag.

1.4.

Bij besluit van 20 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juni 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is door het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 augustus 2012 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de conclusie van de verzekeringsarts onderschreven dat de beperkingen, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 18 september 2009 van toepassing zijn en dat appellant daarom in staat is om ten minste één van de in 2009 geduide functies te verrichten.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen (waarbij appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder):

“Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de in het dossier aanwezige informatie geen aanleiding geeft voor het aannemen van meer beperkingen dan zoals die in het kader van de WAO-beoordeling zijn vastgesteld in de FML. Zoals ook door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vastgesteld, is in de FML rekening gehouden met de bij eiser bestaande hoofdpijnklachten. De rechtbank stelt vast dat van onzorgvuldigheid in de procedure van totstandkoming van het rapport van de verzekeringsarts niet is gebleken. Verder is de conclusie die de verzekeringsarts heeft getrokken, inzichtelijk gemotiveerd en goed te volgen. Het enkele feit dat de behandelend neurologen thans de diagnose migraine hebben gesteld, rechtvaardigt niet de conclusie dat de in 2009 vastgestelde belastbaarheid van eiser onjuist is vastgesteld. Deze diagnose maakt immers de ernst van de bij eiser bestaande hoofdpijnklachten niet anders. De stelling van eiser dat hij vanwege bijwerkingen geen baat heeft van de aan hem voorgeschreven medicatie brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu met de aanwezigheid van de hoofdpijnklachten bij het opstellen van de FML rekening is gehouden.

Dat de hoofdpijnklachten van eiser ten opzichte van 2009 zouden zijn verergerd, heeft eiser niet onderbouwd met medische stukken. De rechtbank ziet in de in het dossier beschikbare medische gegevens geen bevestiging van de door eiser ter zake ingenomen stelling omtrent de duur en de frequentie van de migraineaanvallen. Dat eiser blijkens het overzicht journaalgegevens op 29 juni 2012 aan de huisarts heeft meegedeeld dat zijn aanvallen van migraine frequenter voorkomen en heftiger zijn geworden, vormt geen objectief gegeven op grond waarvan de verergering van de klachten kan worden vastgesteld. Uit de journaalgegevens blijkt ook dat eiser de huisarts heeft verzocht om over de ernst van de aanvallen van de migraine informatie aan verweerder te verstrekken. Van dergelijke informatie is de rechtbank uit het dossier niet gebleken. Daarbij verwijst de rechtbank nog naar het nader opgemaakte rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

24 juni 2012 die in de ingebrachte informatie van de neuroloog drs. J.M. Biesbroek van

12 oktober 2012 geen aanleiding heeft gezien zijn standpunt te herzien. De rechtbank ziet geen aanleiding om de in dit rapport neergelegde bevindingen voor onjuist te houden.

Met betrekking tot de arbeidskundige gronden merkt de rechtbank allereerst op dat de deze in bezwaar aangevoerde gronden zodanig laat waren ingediend dat deze bij het besluit op bezwaar niet meer konden worden meegenomen. Verweerder heeft de heroverweging in bezwaar daarom kunnen beperken tot de medische gronden. Uitgaande van de juistheid van de in de FML opgenomen beperkingen is door verweerder voldoende onderbouwd dat de belasting van in ieder geval één van de geduide functies de belastbaarheid van eiser niet te boven gaat.”

3. Appellant heeft zich in hoger beroep (samengevat) op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat van onzorgvuldigheid bij de totstandkoming van het rapport van de verzekeringsarts niet is gebleken. Nu met betrekking tot zijn hoofdpijnklachten de diagnose migraine is gesteld zijn deze klachten voldoende geobjectiveerd. Vanwege deze klachten is hij niet in staat arbeid te verrichten. Ten onrechte heeft geen hoorzitting plaatsgevonden op 14 augustus 2012, maar uitsluitend een medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De gemachtigde van appellant is niet opgeroepen voor een hoorzitting en heeft geen gronden kunnen aanvullen en toelichten. Daardoor is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Naar aanleiding van de eerst in hoger beroep aangevoerde grond dat ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, wordt, in lijn met eerdere uitspraken - zie onder meer de uitspraak van 16 september 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8354 - overwogen dat het niet ongeoorloofd is in de daarvoor in aanmerking komende ZW-zaken het nader medisch onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep tevens als hoorzitting te laten fungeren mits geen afbreuk wordt gedaan aan de door de wetgever beoogde functie van de hoorplicht, de gang van zaken voor alle betrokkenen duidelijk is en ook overigens wordt voldaan aan de wettelijke bepalingen.

4.2.

Nu appellant in de bezwaarfase, met de brief van het Uwv van 31 juli 2012 enkel is uitgenodigd voor een medisch onderzoek en de gemachtigde van appellant slechts een afschrift van deze uitnodiging heeft ontvangen heeft het Uwv in de gevolgde bezwaarschriftprocedure de wettelijke bepalingen betreffende de hoorplicht geschonden. Ten onrechte is dit gebrek niet door de rechtbank onderkend. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen daarom voor vernietiging in aanmerking. Met het oog op een mogelijke instandlating van de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit, als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), overweegt de Raad het volgende.

4.3.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Zoals reeds vaker is overwogen gaat het daarbij om elk van de functies afzonderlijk, zodat voldoende is wanneer de hersteldmelding wordt gedragen door een geschiktheid voor tenminste één van de destijds geselecteerde functies. Het vorenstaande betekent dat ter zake van de ziekmelding per 27 maart 2012 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies zoals die voor betrokkene in het kader van de WAO-beoordeling per 6 december 2009 als geschikt zijn aangemerkt.

4.4.

De Raad staat daarom voor de beantwoording van de vraag of betrokkene geschikt moet worden geacht voor de in 2009 geduide functies en overweegt daartoe als volgt.

4.5.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door de artsen van het Uwv voldoende zorgvuldig en volledig is geweest. Appellant is door zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien, beide artsen hebben het dossier, waarin informatie van de behandelend sector, bestudeerd en deze informatie bij hun bevindingen betrokken. In de FML van 18 september 2009 is rekening gehouden met hoofdpijnklachten van appellant. Uit de omstandigheid dat aan deze hoofdpijnklachten later de diagnose migraine is verbonden, volgt niet dat reeds daarom meer beperkingen moeten worden aangenomen. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van

24 januari 2013 gereageerd op de door appellant overgelegde informatie van behandelend neurologen prof. dr. J.H.J. Wokke en dr. D. Nieuwkamp, van radioloog F. Lalezari en van de huisarts V. Primec. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij overtuigend gemotiveerd dat deze medische informatie niet leidt tot een ander oordeel per datum in geding, zijnde 26 juni 2012. In hoger beroep heeft appellant geen (nieuwe) medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij vanwege zijn klachten op de datum in geding ongeschikt was voor zijn werk. Aan het door appellant in hoger beroep overgelegde besluit van het Uwv van 13 december 2013, waarbij zijn WAO-uitkering met ingang van 7 juni 2013 is verhoogd, kunnen geen conclusies worden verbonden met betrekking tot de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum hier in geding, nu dit besluit is genomen naar aanleiding van een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid vanaf 10 mei 2013, dus ruim na de in deze procedure in geding zijnde datum van 26 juni 2012.

4.6.

Voorts wordt overwogen dat in het onderhavige geding in het kader van de ZW, de passendheid van de in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies niet ter discussie kan staan.

4.7.

Gelet op hetgeen in 4.3 en 4.4 is overwogen bestaat er aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.

5. Uit het hiervoor overwogene wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:75 Awb het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 augustus 2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 157,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep tot een

bedrag van in totaal € 2.435,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en J.J.T. van den Corput en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 november 2014.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) D. van Wijk

JS