Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2014:3698

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
17-11-2014
Zaaknummer
13-3762 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 15 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0546) gaat het onder de omstandigheden te ver om voor de toepassing van de WWB zonder meer aan te nemen dat appellant in deze periode enkel op grond van die machtiging beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken over in aanmerking te nemen vermogen dat aan bijstandsverlening aan hem in de weg stond. Daaruit vloeit tevens voort dat de door het college gevraagde afschriften van de bankrekeningen niet noodzakelijk waren voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Herroept het besluit van 17 juli 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2014/403
JWWB 2014/273

Uitspraak

13/3762 WWB

Datum uitspraak: 4 november 2014

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 april 2013, 13/546 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.L.M. Klinkhamer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Voor appellant is

mr. Klinkhamer verschenen. Het college heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 24 april 2012 bij het college gemeld voor een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college bij brief van 16 mei 2012 appellant verzocht bankafschriften van rekeningnummer [rekeningnummer 1] van de Coöperatieve Spaar- en Kredietbank Godo G.A. (Godo-bank) in Suriname over te leggen. Appellant heeft geen bankafschriften ingeleverd met de mededeling dat hij niet over een bankrekening met dat nummer beschikt.

1.2.

Bij besluit van 17 juli 2012 heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing van de aanvraag ligt ten grondslag dat appellant niet alle relevante informatie heeft overgelegd, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3.

Hangende bezwaar heeft appellant tot 13 december 2012 de tijd gekregen om alsnog afschriften over te leggen van bankrekeningen van diens zus en zwager bij de Godo-bank, waarop appellant gemachtigd is geweest met nummer [machtigingsnummer]. Appellant heeft verklaringen van de Godo-bank overgelegd waarin staat dat de bank geen bankafschriften over kan leggen zonder geldige machtiging en dat op machtigingsnummer [machtigingsnummer] nimmer transacties zijn gedaan.

1.4.

Bij besluit van 20 december 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2012 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Vaststaat dat appellant ten tijde van de aanvraag beschikte over een machtiging met nummer [machtigingsnummer], bij de Coöperatieve Spaar- en Kredietbank Godo G.A. (Godobank), waarmee hij gemachtigd was tot twee bankrekeningen met de nummers [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] op naam van zijn zus en zwager.

4.2.

Het geschil in hoger beroep is toegespitst op de vraag of het college de aanvraag van appellant terecht heeft afgewezen op de grond dat appellant de door het college gevraagde afschriften van deze bankrekeningen over de periode 1 juni 2011 tot en met 31 december 2011 en 1 februari 2012 tot en met 1 mei 2012, niet heeft overgelegd.

4.3.

Appellant heeft in hoger beroep, evenals in bezwaar en beroep, aangevoerd dat de machtiging in 2007 uitsluitend is afgegeven teneinde de desbetreffende bankrekeningen voor zijn in Nederland wonende zus en zwager te kunnen openen, appellant woonde toen zelf in Suriname, en dat hij niet over de door het college gevraagde bankafschriften kan beschikken, omdat de machtiging met nummer [machtigingsnummer] inmiddels is beëindigd en zijn zus en zwager niet willen meewerken aan het verstrekken ervan. Appellant heeft voorts gewezen op twee door hem in bezwaar overgelegde e-mails, gedateerd 12 oktober 2012 en 30 november 2012, waarin namens Godobank aan hem is meegedeeld dat het zonder een geldige machtiging niet mogelijk is de gevraagde bankafschriften te verstrekken en dat op het machtigingsnummer [machtigingsnummer] nimmer transacties zijn verricht.

4.4.

De Raad stelt voorop dat zijn vaste rechtspraak, inhoudende dat het feit dat een bankrekening op naam van een aanvrager of ontvanger van bijstand een tegoed bevat, de vooronderstelling rechtvaardigt dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken en dat het in een dergelijke situatie aan de betrokkene is om aan te tonen dat het tegendeel het geval is, in dit geval niet rechtstreeks van toepassing is. De in geding zijnde bankrekeningen stonden immers niet op naam van appellant, maar op naam van zijn zus en zijn zwager. Gelet op de onder 4.3 genoemde mededelingen van de Godobank, staat het voorts in voldoende mate vast dat appellant nimmer transacties heeft verricht met betrekking tot deze bankrekeningen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 15 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0546) gaat het onder die omstandigheden te ver om voor de toepassing van de WWB zonder meer aan te nemen dat appellant in deze periode enkel op grond van die machtiging beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken over in aanmerking te nemen vermogen dat aan bijstandsverlening aan hem in de weg stond. Daaruit vloeit tevens voort dat de door het college gevraagde afschriften van de bankrekeningen met de nummers [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] niet noodzakelijk waren voor de vaststelling van het recht op bijstand.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat de onder 4.2 vermelde vraag ontkennend moet worden beantwoord en dat het hoger beroep slaagt.

4.6.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het besluit van 20 december 2012 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Tevens ziet de Raad aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 17 juli 2012 te herroepen.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 974,- in bezwaar, € 974,- in beroep en op € 974,- in hoger beroep voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 december 2012;

- herroept het besluit van 17 juli 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het

vernietigde besluit;

- bepaalt dat het college alsnog op de aanvraag beslist;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een

totaal bedrag van € 2.922,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2014.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.R. Schuurman

HD